Algemeen Onbeschaafd Nederlands

Een welgeplaatste vloek kan soelaas bieden bij pijn en ander ongemak. Elk tijdvak in de geschiedenis brengt z’n eigen ‘lelijke woorden’ voort.

Een woord is van zichzelf niet vies, beladen of beledigend, maar krijgt die lading door degene die het gebruikt of interpreteert. Wat iemand als onbeschaafd ervaart, verschilt daarom per persoon en situatie, en is ook nog eens verbonden met de tijdgeest.

Dat komt doordat woorden niet alleen een vorm, betekenis en grammaticale functie hebben, maar ook een gebruiksmogelijkheid, en die wordt beïnvloed door wat het woord bij iemand aan emoties en associaties oproept. Lijk, kut, poepen en tetten zijn daarom voor de een plat en voor de ander niet of alleen in sommige situaties.

Vaak hangt dat af van persoonlijke voorkeur en sociale achtergrond, maar ook altijd van de omgeving of het gezelschap. Twijfel je of een woord bruikbaar is, dan gaat het meestal om taboewoorden rondom seks, uitwerpselen of de dood, of om beledigingen, scheldwoorden en verwensingen. Kortom: om woorden die een laag sociaal aanzien hebben. En dat sociale aanzien is geen statisch gegeven.

Sommige woorden die vroeger als plat werden ervaren, worden nu algemeen gebruikt. Neem ‘mieters’. Zo’n anderhalve eeuw geleden vond het Woordenboek der Nederlandsche taal het ‘een zeer plat woord’. Halverwege de vorige eeuw gingen ‘rebelse jongeren’ het gebruiken in de betekenis van ‘fantastisch’. Het woord sijpelde vervolgens met die nieuwe betekenis door in het algemeen spraakgebruik, waardoor het gedomesticeerd raakte. De ‘zeer platte’ betekenis werd naar de achtergrond verdrongen en met de nieuwe betekenis ‘fantastisch’ was het woord onschadelijk geworden. Maar modewoorden verouderen snel. Iemand die het nu heeft over ‘een mieterse smartphone’ verraadt direct zijn gevorderde leeftijd; voor mieters hebben jongeren nu ‘vet’ of ‘cool’ nodig. Een ander voorbeeld is ‘meid’: vroeger een dienstbode, losbandige vrouw of hoer, nu een hip woord voor ‘meisje’.

Het sociale aanzien van ‘wijf’ heeft zich juist in omgekeerde richting ontwikkeld: van neutraal naar plat. Het is doorgaans ruw en denigrerend om een vrouw wijf te noemen, maar dat is niet altijd zo geweest. In de middeleeuwen was wijf het neutrale woord voor elke vrouw die niet tot de adel behoorde. Vanaf de zeventiende eeuw kreeg het echter meer en meer een negatieve bijklank. Dat kon gebeuren doordat wijf werd gebruikt voor iemand aan wie de kenmerken van zo’n ‘volkse vrouw’ werden toegedicht, zonder dat zij per se ook volks was. Dat maakte de weg vrij om wijf als beledigend te ervaren. Ook plee voor ‘wc, toilet’ legde een soortgelijke weg af: van deftig woord (plaît-il) naar plat. Althans, onder het volk. De adel noemt de wc nog steeds plee en lijkt daarmee ruwe taal te bezigen, maar historisch gezien is dat dus niet zo.

Tegenwoordig speelt politieke correctheid een belangrijke rol bij het sociale aanzien van woorden, dat wil zeggen: een woord bewust gebruiken of juist mijden omdat het maatschappelijk gezien gepast of gewenst is dat te doen. Is een woord in ongenade gevallen omdat het aanzien ervan als laag wordt ervaren, dan kent de taalgemeenschap twee reacties: afschaffen, of een eufemisme omarmen.

Zo is neger een Afro-Nederlander/-Vlaming geworden en bejaarde een senior. Daardoor ook kon de gastarbeider, via immigrant en allochtoon, een medelander worden. Verspilde moeite natuurlijk, we verzinnen toch altijd weer iets wat de gevoelswaarde van woorden als wijf, meid, of plee vertegenwoordigt.