Winkelen op zondag

Deze rubriek belicht elke dinsdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Vandaag: winkelsluiting

Nederland, Roermond, 22-4-2008 Een winkel,meubelzaak, heeft aan de gevel de mededeling hangen dat ze elke zondag geopend zijn. Foto: Flip Franssen

Tegenstanders > zondagsopening

Gemeente moet aantonen dat zondagopenstelling toerisme stimuleert

< College van Beroep voor bedrijfsleven

Gemeente moet belangen van alle betrokkenen zorgvuldig afwegen

‘De wettelijke winkelsluiting op zondag wordt opgeheven’, luidt de summiere tekst in het regeerakkoord van PvdA en VVD. Waar in 2010 het kabinet van VVD en CDA in het regeerakkoord nog opnam dat koopzondagen zouden worden teruggedrongen, lijkt nu (ruimere) zondagopenstelling voor winkels op komst.

De politiek heeft gesproken, al was het maar omdat de Tweede Kamer vorige maand akkoord ging met een initiatiefwet van D66 en GroenLinks met als strekking dat gemeenten in de toekomst zelf mogen bepalen wanneer er koopzondagen zijn.

Maar zo gemakkelijk zit bestuurlijk Nederland niet in elkaar, zo blijkt uit een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), eerder deze maand. De wettelijke beperkingen voor zondagopenstelling kunnen door regering en het parlement worden vrijgegeven en overgelaten aan gemeenten. Maar die hebben het dan niet alleen voor het zeggen. Als een gemeenteraad besluit om de winkels op zondag vrij baan te geven, dan moet dat besluit degelijk beargumenteerd en onderbouwd zijn, anders kan dat college daar alsnog een stokje voor steken.

Aanleiding voor de uitspraak van het College was een procedure die ‘Stichting Tegen Verruiming Zondagopenstelling’ had aangespannen tegen de gemeente Zoetermeer. Die had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de gemeenteraad, waardoor de winkeliers zelf kunnen bepalen of zij hun deuren op zondag openen of niet.

Die procedure ging nog op basis van de huidige, niet gewijzigde winkelsluitingswet die openstelling op zondag verbiedt, tenzij de gemeente daar vrijstelling voor verleent.

Daar is in Zoetermeer volgens de raad alle reden toe. Maar volgens de protesterende stichting had Zoetermeer moeten aantonen dat de zondagopenstelling een stimulans voor het stadstoerisme zou zijn. Dat was volgens de tegenstanders niet aannemelijk gemaakt.

In zijn uitspraak brandt het College de vingers niet aan de vraag of er een directe relatie moet zijn tussen verruimde zondagopenstelling en het toerisme in een stad. Kernvraag is of het stadsbestuur bij die verruiming de belangen van alle betrokkenen zorgvuldig heeft gewogen. Die van de toerisme-industrie, de grote winkelketens, de kleine middenstanders, het personeel én de omwonenden.

En zelfs als een gemeentebestuur de zondagopenstelling wil verruimen en kleine winkeliers daar de dupe van kunnen zijn, is dat nog geen doorslaggevend argument om die plannen van tafel te vegen. Want dát kleine winkeliers bezwaren zullen hebben en gedwongen zullen zijn om ook hun deuren te openen, om omzetverlies te voorkomen, of dat niet doen omdat ze het personeel niet kunnen betalen, is bijna niet te voorkomen. De vraag is, of al die consequenties vooraf voldoende in kaart zijn gebracht en zijn meegewogen in het besluit.

Dat was volgens het College in Zoetermeer het geval geweest en daarom werd het beroep van de stichting ongegrond verklaard. Maar tussen de regels door schrijft het College ook jurisprudentie, nu de oude winkelsluitingswet zijn langste tijd gehad heeft, maar de contouren van een nieuwe wet nog niet duidelijk zijn.

Gemeenten gaan over de zondagopenstelling, maar de stadsbesturen zijn in de optiek van het College wel gehouden aan zorgvuldige besluitvorming, waarin alle belangen worden meegewogen. Met als stok achter de deur een procedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Tips? Mail naar ecorecht@nrc.nl