Waarom zou je een oorlog binnenlopen?

Tom Daams wilde ‘iets doen’. Dus ging hij op eigen houtje naar Syrië om oorlogsfotograaf te worden. „De dag van een sluipschutter is zenuwslopend saai.”

Oorlogsfotograaf Tom Daams zit met zijn kogelvrije vest aan in een Amsterdamse kroeg. Volgende week vertrekt hij naar Syrië, het leek hem handig om er vast een beetje aan te wennen. Het is donkerblauw en weegt acht kilo. „Er zitten kevlar platen in”, zegt Tom Daams en hij aait over zijn borst. „Kogels, zelfs van kalasjnikovs, dat houdt-ie allemaal tegen!” Niet dat hij nu overmoedig wordt hoor. „Ik ben geen Iron Man. Eén mortiergranaat en je bent er geweest.” Maar toch, zegt hij, stapt hij nu een stuk zekerder Syrië binnen. „Dit vest is mijn schatje. Ik ben druk bezig een naam te verzinnen. Misschien heeft u een suggestie?”

Een naam?

„Mijn camera heeft ook een naam.”

Hoe heet je camera?

„Mijn camera heet Betty. ”

Betty?

„Omdat ze zo’n stevige tante is. Echt een Betty. In Aleppo vroegen ze vaak of ik een vriendinnetje had. Dan zei ik: ik ben getrouwd met Betty. Niet dat ik constant tegen mijn camera loop te lullen, maar zo’n naam helpt om de eenzaamheid tegen te gaan. En ik ben er zuinig op, dat toestel is een delicaat ding voor mij.”

Tom Daams is 28 jaar, autodidact en nog maar net oorlogsfotograaf. Sterker nog hij heeft er pas één oorlog opzitten. In september vertrok hij op eigen houtje naar Syrië. Hij pakte twee tassen in (veel te veel), googlede een stad in de buurt van de Syrische grens – Gaziantep in Turkije – boekte een ticket en liep drie dagen later met zijn camera op zijn buik de Syrische grens over.

Daams had geen kogelvrij vest, geen helm, geen verzekering en geen persbureau achter zich. In Syrië kwam hij in contact met rebellen van het Vrije Syrische leger. Hij leerde er de 23-jarige sluipschutter Abou Laith (‘babytijger’) kennen, die hem tien dagen lang op sleeptouw nam langs het front in Aleppo.

Daams’ opmerkelijke aanpak en zijn bijna sprookjesachtig bewerkte beelden roepen bij terugkomst nogal tegenstrijdige reacties op. Ze zijn misschien onorthodox, zegt hij zelf, maar ze stonden wel op de voorpagina van de Volkskrant. Twee dagen later, op 26 september, mocht hij aanschuiven bij Pauw & Witteman. BNN heeft hem gevraagd wekelijks verslag te doen op Radio 1 van zijn volgende reis naar Syrië. Van een beveiligingsbedrijf kreeg Daams een gratis kogelvrij vest en helm.

Waarom ging u naar Syrië?

„Ik ben geboren en getogen in Haarlem, een huisje-boompje-beestje stad. Alles piekfijn in orde. Mensen maken zich alleen maar druk om zichzelf daar, om hun eigen problemen, hun eigen geld. Zodra er iets op het nieuws is over een conflict zappen ze weg, zodra ze een nare foto zien op Facebook klikken ze die weg. Daar wil ik iets tegen doen.”

Waarom willen ze uw foto’s wel zien?

„Omdat ik minder bezig ben de keiharde, naakte realiteit te fotograferen. Want dat zie je meestal: dood en verderf. Ik probeer mensen met een andere insteek te bereiken. Ik wil niet choqueren. Ik wil het leven laten zien. Burgers, rebellen. Geen dood kind.”

U besloot: ik ben oorlogsfotograaf en toen heeft u een ticket geboekt?

„Er is geen handboek voor een oorlogsfotograaf. Dus ik ben eerst gaan oefenen bij rellen in Europa. Ik werkte toen als dierenverzorger in het hondenpension van mijn moeder, en in de vakanties reisde ik heel Europa door. In Athene heb ik vrienden gemaakt, die leerden mij wat je moet doen als je traangas of pepperspray in je gezicht krijgt. ”

En toen was u klaar voor Syrië?

„Aangekomen in Turkije heb ik me eerst drie dagen zorgen zitten maken. Want, ja, het is toch wel een grote stap. Waarom zou je zomaar de oorlog in lopen? Ik ben als een gek artikelen gaan zitten lezen op die hotelkamer. Op dag drie kwam ik een Duitse journalist tegen. Die heeft me moed ingepraat.”

Hoe ging u de grens over?

„Lopend met mijn camera prominent om mijn nek. Je laat je paspoort zien. Twee checkpoints door en dan ben je in Syrië. Aan de andere kant van de grens staat meteen een perskantoor, heel gek eigenlijk. Dat is in handen van het vrije Syrische leger. Ze vonden het raar dat ik geen perskaart had. Dus ik liet die man mijn website zien. Hij scrolde wat door mijn foto’s en regelde toen dat ik mee kon rijden met twee Spaanse journalisten naar Aleppo.”

Hoewel Daams had gerekend op een spookstad, blijkt het leven in grote delen van Aleppo gewoon door te gaan. Achter op de brommer reed hij met de sluipschutter dagelijks naar de frontlinie. Onderweg zag Daams spelende kinderen, kippen en honden. „Het wemelt er van de mensen.” Hij zag winkeltjes en soms zelfs een bakker met lange rijen mensen ervoor. Natuurlijk, het vuilnis wordt er niet meer opgehaald, zegt hij, er zijn geen banken, geen hotels, geen enkel gebouw is ongehavend, en er worden de hele dag bommen op de stad afgevuurd, maar verlaten is het niet.

Dichter bij de frontlinie wordt het echter stiller, de wegen steeds onbegaanbaarder. Op een vaste plek verzamelen zich dagelijks een stuk of twintig rebellen. Jongens van tussen de twintig en dertig jaar. Ze nemen de tactiek door en splitsen zich dan op. Ze houden contact met mobiele telefoons. Abou Laith stelde zich meestal op bij een raam, of op een dak, en stond dan urenlang in dezelfde houding. „Zo’n dag is zenuwslopend saai.”

Hij schiet een keer of drie per dag. Meestal raak. Vlak voor hij schiet geeft hij Daams een waarschuwing – „Allahu Akbar” – want daarna heb je verraden waar je zit en moet je rennen voor je leven. Tom Daams wijst vanuit het café waar we zitten, op Perron 1 van het Amsterdamse Centraal Station, de stationshal in. „Je moet je voorstellen dat wij hier tussen de rebellen zitten. Het Syrische leger zit op perron zes.”

U kwam onvoorbereid aan en legde uw leven in handen van rebellen. Dat is doodsverachting.

„Het is wel een beetje provoceren ja. Maar persoonlijk voelde ik me daar best veilig. En ik kon heel dichtbij mensen en hun leven komen. Dat ik daar zonder kogelvrij vest rondliep maakte misschien ook wel dat ik er sneller bij hoorde. Want die rebellen dragen zelf ook heus geen helm en vest hoor. Ik zag wel eens groepjes journalisten of fotografen langskomen, die worden begeleid door een gids. Hun route wordt uitgestippeld. Dan stonden we te praten en tikt zo’n man op zijn horloge. Dan moeten ze weer verder.”

U was toch ook afhankelijk van de rebellen?

„Natuurlijk, maar ik kon wel meer mijn eigen gang gaan. Ze hebben me nooit de plekken gewezen die ik moest fotograferen. Ik mocht fotograferen wat ik wilde, behalve hoge officiers en ziekenhuizen, die zouden dan doelwit kunnen worden.”

U gaat terug. Op dezelfde wijze?

„Dat hangt af van de situatie daar. Ik heb Syriërs in Nederland opgeroepen om hun geboorteplaats te mailen. Misschien kan ik die plek voor ze in beeld brengen.”

En Abou Laith?

„Die krijg ik niet te pakken. Hij reageert niet op mijn mail. Internetverbindingen zijn er weinig daar. Ik wil hem opzoeken. Ik wil weten hoe het met hem gaat. Of hij nog leeft.”