Van Schendel is meesterlijk in schaduwen

Petrus van Schendel, meester van het avondlicht. T/m 17/2 Breda’s Museum. Inl: www.breda-museum.nl

Petrus van Schendel (1806-1870) schilderde avond- en nachtscènes met verschillende lichtbronnen: riviergezichten bij maanlicht met vuurtjes op de oevers, lezende figuren bij een kaars, een uitslaande brand in het holst van de nacht en vooral heel veel avondlijke markten. Groente, fruit, vis en gevogelte worden verlicht door fakkels en olielampen. In hetzelfde zwakke schijnsel zijn negentiende-eeuwse huisvrouwen en marktkoopmannen aan het keuren, knijpen, onderhandelen en afrekenen. Gezellige taferelen zijn het. Op het eerste grote overzicht van Van Schendels werk in het museum in Breda – de stad waar hij opgroeide – zijn van de specialist zelfs een paar geschilderde kerststallen te zien.

In een ongewone Aanbidding der herders (1849) is Jezus de lichtbron: alle mensen om de kribbe staren verwonderd naar zijn lichtgevende hoofd. Deze originele interpretatie van Christus als het licht van de wereld viel in Van Schendels tijd niet overal even goed. Een criticus van de Kunstkronijk vroeg zich af „of hij het hoofd van het kindeken synoniem acht met eene gaz-vlam”.

Maar meestal waren zijn tijdgenoten lovend. Van Schendel verdiende goed, verkocht aan vorsten en werd tot in het buitenland gelauwerd. Na zijn dood, toen de romantische schilderkunst uit de mode raakte, nam de waardering voor zijn werk aanzienlijk af. Helemaal onbegrijpelijk is dat niet: zijn religieuze schilderijen grenzen aan de katholieke kitsch en van de marktscènes bij avond schilderde hij er zo veel dat ze, zoals iemand in een necrologie schreef, „wel eens meer uit gewoonte dan uit inspiratie ontstaan zijn”. Zijn figuren blijven anonieme paspoppen die steeds ietsje anders rondom een verlicht marktkraampje zijn neergezet.

Dat groeperen en uitlichten deed hij intussen wel erg mooi. Hij wist de gloeiende kleuren en harde schaduwen in het warme licht op de voorgrond altijd effectief af te zetten tegen een achtergrond met koel maanlicht, weinig kleur en zachte schaduwen. Die schemerige, soms wat mistige achtergrond is in veel schilderijen het spannendste stuk. Er doemen gestaltes uit op en er prikken geheimzinnige lichtjes doorheen. De voorgrond is Dickens, de achtergrond het decor voor een film over Jack the Ripper.

Van Schendel haalde het beste uit een beperkt repertoire. Vergelijk hem wat dat betreft met Andreas Schelfhout, die de ene kerstkaart na de andere schilderde maar ongeëvenaard was in het weergeven van sneeuw en ijs. De laatste jaren is er een herwaardering van de Nederlandse romantiek gaande; Schelfhout, Koekkoek zijn geregeld in musea te zien. Het Breda’s Museum rehabiliteert nu dus Petrus van Schendel, met een ambitieuze tentoonstelling en een voorbeeldig boek.

Tijdens zijn onderzoek voor dat boek ontdekte de historicus Jan de Meere in een kerk bij Brussel de grote Geboorte van Christus (1858) die Van Schendel zelf als zijn magnum opus beschouwde. Het schilderij was verwaarloosd, maar werd voor de expositie gerestaureerd en door de kerk in langdurig bruikleen gegeven aan het Breda’s Museum.