Tandpasta op je skibril en gewoon gáán

Tom Daams (28) uit Haarlem pakte op een dag zijn tas en vertrok naar Syrië. Plots was hij oorlogsfotograaf, achterop de brommer bij een sluipschutter op weg naar de frontlinie.

Oorlogsfotograaf Tom Daams zit met zijn kogelvrije vest aan in een Amsterdamse kroeg. Volgende week vertrekt hij naar Syrië, het leek hem handig om er vast een beetje aan te wennen. Het is donkerblauw en weegt acht kilo. „Er zitten kevlar platen in”, zegt Daams en hij aait over zijn borst. „Kogels, zelfs van kalasjnikovs, dat houdt-ie allemaal tegen!” Niet dat hij nu overmoedig wordt, hoor. „Ik ben geen Iron Man. Eén mortiergranaat en je bent er geweest.” Maar toch, zegt hij, stapt hij nu een stuk zekerder Syrië binnen. „Dit vest is mijn schatje. Ik ben druk bezig een naam te verzinnen. Misschien heb jij suggesties?”

Een naam?

„Mijn camera heeft ook een naam.”

Hoe heet je camera?

„Mijn camera heet Betty. ”

Betty?

„Omdat ze zo’n stevige tante is. Ze heeft heel wat in haar mars, zeg maar. Echt een Betty. In Aleppo vroegen ze vaak of ik een vriendinnetje had. Dan zei ik: ik ben getrouwd met Betty. Niet dat ik constant tegen mijn camera loop te lullen, maar zo’n naam helpt om de eenzaamheid tegen te gaan. En ik ben er zuinig op, dat toestel is een delicaat ding voor mij.”

Tom Daams is 28 jaar, autodidact en nog maar net oorlogsfotograaf. Sterker nog: hij heeft er pas één oorlog opzitten. In september vertrok hij op eigen houtje naar Syrië. Hij pakte twee tassen in (veel te veel), googelde een stad in de buurt van de Syrische grens – Gaziantep in Turkije – boekte een ticket en liep drie dagen later met zijn camera op zijn buik de Syrische grens over.

Daams had geen kogelvrij vest, geen helm, geen verzekering en geen persbureau achter zich. In Syrië kwam hij per toeval in contact met rebellen van het Vrije Syrische Leger. Hij leerde Abou Laith („babytijger”) kennen, een man van 23 die hem tien dagen lang op sleeptouw nam langs de frontlinie in Aleppo. Op de plek waar de rebellen het met hun geweren opnemen tegen het zware geschut van het Syrische regeringsleger, maakte Daams een serie foto’s van burgers, rebellen en puin.

Daams’ opmerkelijke aanpak en zijn bijna sprookjesachtig bewerkte beelden roepen bij terugkomst nogal tegenstrijdige reacties op. Onorthodox misschien, zegt hij zelf, maar ze stonden mooi wel op de voorpagina van de Volkskrant. Twee dagen later, op 26 september, mocht hij aanschuiven bij Pauw & Witteman. Van een beveiligingsbedrijf kreeg hij gratis een kogelvrij vest en helm aangeboden. Hij werd geïnterviewd in verschillende radioprogramma’s en hij mag op Radio 1 straks wekelijks verslag doen van zijn volgende reis naar Syrië.

Waarom ging je naar Syrië?

„Ik had het gevoel dat ik iets moest doen. Die oorlog is al anderhalf jaar aan de gang, maar niemand in mijn omgeving wist nog wat er gaande was. Ik ben geboren en getogen in Haarlem, een huisje-boompje-beestje stad. Alles piekfijn in orde. Mensen maken zich alleen maar druk om zichzelf daar, om hun eigen problemen, hun eigen geld. Zodra er nieuws is over een conflict zappen ze weg, zodra ze een nare foto zien op Facebook klikken ze die weg. Daar wil ik iets tegen doen.”

En waarom willen ze jouw foto’s wel zien?

„Omdat ik minder bezig ben de keiharde, naakte realiteit te fotograferen. Want dat zie je meestal: dood en verderf. Maar bij een dood kind is het eerste wat mensen doen: wegzappen, wegklikken. Want dat kán namelijk gewoon. En als beelden niet meer aankomen, wat hebben ze dan nog voor zin? Daarom probeer ik mensen met een andere insteek te bereiken. Ik wil niet shockeren. Ik wil het leven laten zien. Burgers, rebellen. Geen dood kind.”

Maar dat is toch wat oorlog óók is?

„Vlak na een bombardement zag ik een romp en een hoofd liggen. Dat fotografeer ik niet. Met dat soort beelden lukt het mij niet om het publiek te bereiken.”

Je besloot dus: ik ben oorlogsfotograaf en toen heb je een ticket Syrië geboekt?

„Er is geen handboek voor een oorlogsfotograaf. Dus ik ben eerst gaan oefenen bij rellen in Europa. Ik werkte toen als dierenverzorger in het hondenpension van mijn moeder, en in de vakanties reisde ik heel Europa door. In Athene heb ik vrienden gemaakt, die leerden mij wat je moet doen als je traangas of pepperspray in je gezicht krijgt. Je kunt dan citroenvocht in je ogen druppelen, of een theedoek met azijn voor je gezicht houden. Maar het makkelijkst is Maalox op je gezicht smeren, een middel tegen maagzuur. Gewoon te koop bij de drogist. Dat heb ik nu dus altijd bij me. Net als water, een gasmasker en een skibril. Die bril moet je insmeren met tandpasta, of met vet. Dan beslaat-ie niet.”

En toen was je klaar voor Syrië?

„Aangekomen in Gaziantep (Turkije) heb ik me eerst drie dagen zorgen zitten maken. Want, ja, het is toch wel een grote stap. Een mentale barrière. Why the hell zou je zomaar de oorlog inlopen? Ik ben als een gek artikelen gaan zitten lezen op die hotelkamer. Op dag drie kwam ik een Duitse journalist tegen. Die heeft me moed ingepraat. Hij gaf me het laatste zetje.”

Hij zei niet: je bent onvoorbereid, je bent gek?

„Nee, hij zag ook wel dat als ik iets in mijn kop heb, dan kunnen ze hoog of laag springen, maar dan ga ik het doen. Wat dat betreft ben ik echt een doener.”

Hoe ging je de grens over?

„Lopend met mijn camera prominent om mijn nek. Je laat je paspoort zien. Twee checkpoints door en dan ben je in Syrië. Aan de andere kant van de grens staat meteen een perskantoor, heel gek eigenlijk. Dat is in handen van het Vrije Syrische Leger. Ze vonden het raar dat ik geen perskaart had. Dus ik liet die man mijn website zien. Hij scrolde wat door mijn foto’s en regelde toen dat ik mee kon rijden met twee Spaanse journalisten naar Aleppo.”

Hoewel Daams had gerekend op een spookstad, blijkt het leven in grote delen van Aleppo gewoon door te gaan. Achter op de brommer reed hij met de sluipschutter dagelijks door de wijken die zijn ingenomen door de rebellen naar de frontlinie. „Het wemelt er van de mensen.” Daams zag spelende kinderen, kippen en honden. Hij zag winkeltjes en soms zelfs een bakker met lange rijen mensen ervoor. Natuurlijk, het vuilnis wordt er niet meer opgehaald, zegt hij, er zijn geen banken, geen hotels, en er worden de hele dag bommen op de stad afgevuurd, maar verlaten is het er niet.

Dichter bij de frontlinie wordt het stiller, de wegen onbegaanbaarder. Op een vaste plek verzamelen zich dagelijks een stuk of twintig rebellen. Allemaal jongens van tussen de twintig en dertig jaar. Ze nemen de tactiek door en splitsen zich dan op. Ze houden contact met mobieltjes. Abou Laith stelde zich meestal op bij een raam, of op een dak, en stond dan urenlang in dezelfde houding. „Zo’n dag is zenuwslopend saai.” Hij schiet een keer of drie per dag. Meestal raak. Vlak voor hij schiet, geeft hij Daams een waarschuwing – „Allahu Akbar” – want daarna heb je verraden waar je zit en moet je rennen voor je leven. Tom Daams wijst vanuit het café waar we zitten, op perron 1 van het Amsterdamse Centraal Station, de stationshal in. „Je moet je voorstellen dat wij hier tussen de rebellen zitten. Het Syrische leger zit op perron zes.”

Je vertrok naar Syrië zonder geld, een helm of kogelvrij vest en je legde er je leven in handen van de rebellen. Dat is doodsverachting.

„Het is wel een beetje provoceren ja. Maar persoonlijk voelde ik me daar best veilig. En ik kon heel dichtbij mensen en hun leven komen. Dat ik daar zonder kogelvrij vest rondliep maakte misschien ook wel dat ik er sneller bij hoorde. Want die rebellen dragen zelf ook heus geen vest hoor. Ik zag weleens groepjes journalisten langskomen, die worden begeleid door een gids. Dan stonden we te praten en tikt zo’n man op zijn horloge. Dan moeten ze weer verder.”

Maar jij was toch ook afhankelijk van de rebellen?

„Natuurlijk, maar ik kon wel meer mijn eigen gang gaan. Ze hebben me nooit de plekken gewezen die ik moest fotograferen. Ik mocht fotograferen wat ik wilde, behalve hooggeplaatste officiers en ziekenhuizen, die zouden dan doelwit kunnen worden.”

Je gaat straks terug. Op dezelfde manier?

„Hoe ik ga, hangt af van de situatie daar. Ik heb wel plannen: ik ga samen met Spijkerrok (een Arnhems muziekfestival) proberen muzikanten in oorlogsgebieden op te sporen om hun muziek met de wereld te delen. En ik wil weer fotograferen. Ik heb Syriërs in Nederland opgeroepen om hun geboorteplaats te mailen. Misschien kan ik die plek voor ze in beeld brengen. En: ik geef hier in Nederland praatjes op scholen. Mijn boodschap is dat iets goeds doen helemaal niet zo onmogelijk is. Je kunt altijd iets voor anderen betekenen. Al zeg ik er wel bij dat ze vooral niet moeten gaan doen wat ik deed.”

En Abou Laith?

„Die krijg ik niet te pakken. Hij reageert niet op mijn mail. Internetverbindingen zijn er weinig daar. Ik wil hem daarom opzoeken. Ik wil weten hoe het met hem gaat. Of hij nog leeft.”

    • Lineke Nieber