Scoren in een moordzaak

Het is alvast te betreuren dat hoofdofficier Bronsvoort gisteren niet prompt de vernietiging aankondigde van de 7.300 DNA-monsters die Friese burgers vrijwillig afstonden voor het Vaatstra-onderzoek. Zij liet het bij de mededeling dat daar zorgvuldig mee zal worden omgegaan. Dat nemen we graag aan. Maar daarmee liet het OM wel de kans voorbijgaan om scherp af te bakenen waar opsporing ophoudt en privacy weer begint. Niet heel Nederland vraagt nu om grootschalig DNA-onderzoek bij ieder onopgelost misdrijf.

Dat laat onverlet dat de doorbraak in het onderzoek naar de moord op het 16-jarige meisje goed nieuws is. De eerste toepassing van dit nieuwe opsporingsmiddel had onverwacht direct succes. Uit de volledige DNA-overeenkomst tussen het spoor en de verdachte mag als vaststaand worden aangenomen dat deze op de plaats van het delict aanwezig was. Het was zijn haar en zijn sperma. Door mee te doen aan het buurtonderzoek gaf de verdachte zichzelf aan.

Daarmee is hij nog niet schuldig aan moord en verkrachting. De wet vraagt om meer bewijsmiddelen dan één. Naast DNA- en sporenbewijs kunnen dat verklaringen van getuigen of de verdachte zelf zijn.

Dit is dus geen gelopen race, maar wel een sterke zaak. Er lijkt dan ook geen opsporingsbelang meer te zijn gediend met het nog langer bewaren van de DNA-monsters die de andere buurtbewoners hebben gegeven.

Door juist op dit punt direct en volledig opheldering te geven kan de overheid duidelijk maken dat er geen verborgen agenda is, bijvoorbeeld om een DNA-databank van de Nederlandse bevolking aan te leggen. Onder het motto ‘beter mee verlegen dan om verlegen’.

In het bijzonder DNA-verwantschapsonderzoek brengt risico’s voor burgerrechten met zich mee. De wetgever bedoelt het nadrukkelijk als uiterste middel bij onopgeloste zware misdrijven. Het stoelt (nog) op vrijwillige medewerking van de burgers. Al bij de parlementaire behandeling is gepleit om in beginsel onschuldige omwonenden te verplichten aan dergelijk onderzoek deel te nemen. Dat ging het kabinet toen (nog) te ver. Maar wat niet is, kan komen.

De bestaande DNA-registratie van daders en verdachten van ernstige misdrijven brengt hun verwanten al binnen het opsporingsbereik van de politie. Zij hebben daar niet om gevraagd, maar zijn nu wel ‘bekend’ bij de politie.

De Grondwet garandeert dat niemand aan zijn eigen veroordeling of die van familie hoeft mee te werken. De combinatie van databases en DNA-techniek zet dat fundamentele recht onder druk. En dat is gevaarlijk.