Sal Meijer

Voor de oudere kunstliefhebber is het werk van Sal Meijer (1877 – 1965) misschien zo langzamerhand gesneden koek, maar de jongere generaties wil ik toch graag wijzen op de eerste grote overzichtstentoonstelling die sinds 25 jaar aan hem gewijd wordt in het Joods Historisch Museum in Amsterdam.

Daar is een geslaagde dwarsdoorsnede van zijn oeuvre te zien. De tentoonstelling heet Het Amsterdam van Sal Meijer, maar heeft meer te bieden dan de schilderijen en etsen van Amsterdam. Er hangen ook mooie portretten, schilderijen van Gooise boerderijen (aan de brave kant) en – dat vooral – een aantal van zijn prachtige kattenschilderijen; Meijer is de beste kattenschilder die Nederland heeft gekend.

Gelukkig is ook Poes aan kraan te zien, een olieverf waarop een kat is afgebeeld die, staand op het aanrecht, aan een kraan likt. Meijer had een van zijn katten in zo’n houding betrapt. Hij wilde het tafereel naschilderen, maar hoe kreeg hij de kat zo ver om te poseren?

Zoals bekend doen katten nooit wat je van hen vraagt. Laatst stond ik met mijn poes voor een fotograaf. Of ze even in de lens wilde loensen. Heel even maar. Ze probeerde zich meteen paniekerig aan mijn armen te ontworstelen, alsof haar gevraagd was naakt voor de Playboy („We zoeken nog een leuke poes”) te poseren.

Meijer loste het inventief op. Hij wond het velletje van een bokking om de kraan. Daar nam de poes wél alle tijd voor, zoveel tijd zelfs dat de recensent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant bewonderend schreef: „Prachtig getroffen in zijn gespannen reiken naar het water en den wellust der bevrediging.”

Meijer was als schilder een subtiele realist, maar geen volmaakte vakman. Daar was hij, de diamantbewerker die pas op latere leeftijd schilder van beroep werd, misschien te veel autodidact voor.

Op deze tentoonstelling wijzen de samenstellers ook op zijn beperkingen. Het woord ‘klunzig’ valt zelfs bij een ets van de Groenburgwal, waarop Meijer de afgebeelde mensen nauwelijks boven de reling van de brug laat uitkomen. Als je een flink poosje dood bent, gaan de mensen harde dingen over je schrijven. Ik zou het liever ‘onhandig’ hebben genoemd; iemand die zoveel moois heeft gemaakt, mag wel een beetje ontzien worden.

Meijer heeft het niet makkelijk gehad om van zijn kunst te leven. Dat blijkt wel uit sommige documenten die op deze tentoonstelling ter inzage liggen. Minister Cals schrijft hem in 1955: „Hierbij deel ik u mede, dat ik heb besloten u in verband met uw betekenis voor de ontwikkeling van de Nederlandse beeldende kunst en in aanmerking genomen uw financiële omstandigheden een subsidie toe te kennen van duizend gulden.” De minister voegde er haastig aan toe dat voor het volgende jaar geen financiële toezegging kon worden gedaan.

Om rond te komen kluste Meijer bij als vertegenwoordiger in reformartikelen en oppasser in een badhuis. Agnes Grondman schreef in haar boek Sal Meijer, Zo naïef nog niet dat Meijer nog als man van zeventig huren zou hebben geïnd voor huiseigenaren. Zijn kleine huis in Blaricum verhuurde hij gedeeltelijk aan zomergasten, die daar 3,50 gulden per dag voor betaalden. „Voor Meijer, zijn vrouw, de zes katten en de schildersezel (…) bleef er één kamer beneden over en het zoldertje, dat volgepakt stond met schilderijen.”

Ik moest daar even aan denken toen ik op deze tentoonstelling zijn Zittende poes op bed zag. De Nederlandse handelaar die dit meesterlijke doek drie jaar geleden in Amerika opkocht, vroeg er 65 mille voor.