Rhapsody in Blue

Pia de Jong is met haar man Robbert Dijkgraaf en kinderen van Amsterdam naar Princeton verhuisd en schrijft daar wekelijks over.

Illustratie Eliane Gerrits

Het mist wanneer ik vroeg in de ochtend in de trein stap die me van Princeton naar New York zal brengen. Tegenover mij zitten twee dunne meisjes in skinny jeans en Uggs dicht tegen elkaar aan. Naast me een zakenman die luid in de lucht pratend zijn bedrijf aanstuurt.

Traag glijden we langs Victoriaanse huizen die eruitzien alsof ze gisteren geverfd zijn. Een vrouw aan de andere kant van het gangpad opent haar laptop. Haar vingers bewegen over het toetsenbord als krabben over het zand. Het tikken van haar nagels heeft iets geruststellends.

Naast de eerste halte ligt een gigantisch autokerkhof. Voor de deur van een wasserette wacht een man met een volle wasmand. Een bleek jongetje van een jaar of drie zit aan zijn voeten. Voortdenderend passeren we een woonwijk. Tuintjes volgegooid met rommel. Aan de rand een fitnesscenter met dichtgespijkerde deuren. Langs het spoor verschijnt een fabriek; twintig verdiepingen zwartgeblakerd baksteen. Ooit was dit een bloeiend bedrijf, nu een decor voor een gruwelfilm.

De eerste hoogbouw verschijnt. Een jaren zeventig sfeer die me terugvoert naar de flat in de nieuwbouwwijk, waar destijds mijn boomlange oom op de zeventiende verdieping woonde. De zakenman naast me verheft zijn stem tegen een onzichtbaar persoon. De dunne meisjes delen een tube handcrème. Ze giechelen. De New Jersey Transit dendert verder. Zomaar opeens staat daar in een verloederde buurt een vakwerkkerkje dat uit de Zwitserse Alpen lijkt te zijn opgetild.

Een van de meisjes vertelt op gedempte toon over de jongen die het uitmaakte nadat hij met haar naar bed was geweest. Ik voel verontwaardiging, maar zij lijkt louter verdrietig. De zakenman slaapt inmiddels, licht snurkend. Zijn hand omklemt zijn telefoon. Watch your step, klinkt het bij de volgende halte. Bij de achterdeur van een gebouw zonder ramen wacht een groep zwarte mannen. De hoofden dicht bij elkaar gestoken. Allemaal hebben ze een zelfde plastic tasje in hun hand. Daarnaast staat een moskee goud te glanzen tussen grijze daken.

De haven meldt zich. Containers langs het spoor. Hapag-Lloyd. Even verderop een gigantische berg autobanden. The choice is clear, schreeuwen rode letters op een gigantisch reclamebord hoog in de lucht. We naderen Newark Liberty International Airport. Home of the humane society, lees ik op een poster naast de dienstregeling. De mevrouw aan de andere kant van het gangpad heeft haar laptop ingepakt en stapt uit.

„Volgende halte, eindpunt van de reis, we naderen de city”, roept de conducteur door de intercom. Plotseling heerst er onrust, als in een vliegtuig dat net is geland. Mensen pakken hun spullen bij elkaar en trekken hun jas aan. De zakenman maakt zijn oortelefoon los. De meisjes kleuren om beurten met dezelfde lipstick hun lippen donkerrood.

Kort daarna rijden we een lange donkere tunnel in. Ik ruik de lucht van verbrande pretzels, zoals ik in de trein naar Zandvoort de zee ruik. Onrust, verlangen, weemoed. New York, New York, so nice, they named it twice. Stad die nooit slaapt. Het klarinetcrescendo van Gershwins Rhapsody in Blue kondigt de stad aan. De trein komt schuddend tot een stop. Ik dring tussen de twee dunne meisjes naar de uitgang. Hun haar geurt naar appelshampoo.

Wanneer ik Penn Station uitstap is de mist opgetrokken en baadt de stad in helder licht.