Ook tevreden met minder pensioen

Gepensioneerden kunnen met minder pensioen toe dan we denken, meent het SCP. Het beleid is ten onrechte gericht op behoud van inkomen.

Hoe geïnteresseerd is een gemiddelde 75-jarige nog in een nieuwe computer of een avondje uit? Een stuk minder dan een tien jaar jongere gepensioneerde. Ouderen trekken zich door een zwakker wordende gezondheid langzaam terug uit de maatschappij en daarmee dalen hun financiële behoeften.

Dat constateert het Sociaal en Cultureel Planbureau in een vandaag verschenen studie over de noden van ouderen. Het rapport relativeert de maatschappelijke ophef over dreigende kortingen op de pensioenen. Ouderen zijn er de laatste twintig jaar meer op vooruitgegaan dan werkenden, terwijl ze met minder genoegen nemen.

SCP-onderzoeker Arjen Soede constateert dat iemand op zijn 75ste met ongeveer 5 procent minder inkomen dan tien jaar ervoor, net zo tevreden is. En toch is zijn pensioenfonds erop gericht om de waarde van de pensioenuitkering op peil te houden. Als dat niet lukt, of fondsen dreigen te moeten korten op de pensioenen, is de ongerustheid groot. Dat komt volgens Soede doordat in het publieke debat het idee overheerst dat mensen hun inkomen op peil willen houden.

Maar afgaande op de behoeften betekent een gelijkblijvend inkomen voor ouderen in feite een hoger welvaartsniveau. De kinderen zijn het huis uit, het huis is zo goed als afbetaald en de sociale kring wordt kleiner. Wie zijn inkomen op peil weet te houden houdt zodoende met de jaren steeds meer geld over. Hoewel ouderen relatief meer zorg nodig hebben, betalen ze daar, althans nu, nog niet de rekening voor.

Soede verzamelde enquêtelijsten waaruit blijkt dat ouderen steeds makkelijker rondkomen. Voor werkenden geldt het omgekeerde: de laatste jaren zeggen steeds meer werkenden dat ze moeite hebben om de eindjes aan elkaar te knopen.

„We bouwen enorme vermogens op die misschien niet nodig blijken te zijn. Zo sparen we mogelijk te veel. Geld dat via erfenissen overgaat naar andere generaties”, zegt Soede.

Hij hoopt met zijn onderzoek de discussie over pensioenen een andere richting op te duwen. Dat onderzoek past in een kentering: oud is niet langer synoniem voor arm. Maar veel beleid is daar nog wel op gericht, constateert Soede. Zo profiteren ouderen van kortingen op musea en het openbaar vervoer, terwijl de armoede onder 65-plussers, 2,6 procent, nu het laagste is van alle leeftijdsgroepen.

Hoewel het gemiddelde inkomen van gepensioneerden nog steeds een stuk lager ligt dan dat van werkenden, steeg het inkomen van 65-plussers de laatste twintig jaar met 23 procent.

De inkomensstijging van werkenden vanaf 35 jaar bleef steken op 17 procent. De ouderen van nu profiteerden van een hogere netto-AOW-uitkering en bouwden tegelijk riantere aanvullende bedrijfspensioenen op. Bovendien waren de pensioenuitkeringen de afgelopen decennia behoorlijk waardevast.

Door de financiële crisis, de hogere levensverwachting en het feit dat pensioenfondsen in het verleden te weinig premies ophaalden, wordt het echter steeds moeilijker om de pensioenen te corrigeren voor inflatie.

Maar tegelijkertijd wordt dat voor werkenden steeds belangrijker omdat het kabinet-Rutte II de belastingvrije pensioenopbouw verlaagt. Hierdoor bouwen werknemers in veertig jaar zo’n 10 tot 20 procent minder pensioen op dan mensen die nu met pensioen gaan.

Het is daarom beter, meent Soede, om de pensioenpot in ieder geval aan te vullen voor geldontwaarding als mensen nog aan het werk zijn. Gepensioneerden kunnen vervolgens toe met geen of een beperkte verhoging.