Mensapen hebben ook een midlife crisis, als dertiger

Chimpansees en orang oetans zijn het gelukkigst in hun jeugd en op hun oude dag. Dit leeftijdseffect is de laatste jaren wereldwijd ook vaak gevonden bij mensen. Dat deze U-vorm van het geluk (in het midden van het leven het laagst) ook bij de evolutionaire nauw verwante mensapen voorkomt, wijst erop dat biologische factoren een rol spelen, en niet alleen sociaal-culturele factoren. Dit schrijft een team van psychologen en primatologen in een artikel dat de Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS) deze week online (early edition) publiceert.

Voor het toch onverwacht grote geluk bij ouderen zijn bij mensen al veel verklaringen geopperd. Ongelukkige mensen zouden eerder sterven, na hun vijftigste zouden mensen zich gemakkelijker neerleggen bij hun situatie, oudere mensen zouden hun financiën beter op orde hebben. Het onderzoeksteam in de PNAS suggereert nu dat ook een verklaring kan liggen in anatomische veranderingen in het ouder wordende brein van mensapen en mensen, bijvoorbeeld een betere emotieregulatie. Uit eerder onderzoek bleek dat geluk (‘zich goed voelen’) voor oudere mensen iets anders is dan voor jongeren. Voor ouderen is geluk vaak een gevoel van rust, bij jongeren vaker een gevoel van opwinding. Misschien is dat bij mensapen ook zo.

Bij de mens ligt het dieptepunt van het geluk gemiddeld bij het 45ste à 50ste levensjaar, zo blijkt uit wereldwijde onderzoeken in de laatste decennia. Er zijn per cultuur en per onderzoek overigens flinke verschillen. In Nederland ligt op grond van Eurostat-cijfers het dieptepunt bij 46, maar volgens een wereldwijd onderzoek zou het bij 54 zijn. Mensapen worden een stuk minder oud – de oudste aap in het onderzoek was 56. Bij mensapen lag het dieptepunt rond het dertigste levensjaar.

In totaal werd bij 508 mensapen door verzorgers en onderzoekers het geluksniveau ingeschat: 336 chimpansees in totaal 27 dierentuinen en onderzoekscentra in Japan, de VS en Australië, en 172 orang-oetans in 39 dierentuinen in de VS, Australië en Singapore. De oppassers moesten over de apen die ze goed kenden vier vragen invullen, veelal vergelijkbaar met de vragen uit menselijk geluksonderzoek: is de mensaap ‘positief gestemd’, hoeveel plezier heeft hij (of zij) in sociale situaties, hoe succesvol is hij in het bereiken van zijn doelen, en – opmerkelijk – hoe gelukkig de oppassers zélf zouden zijn als zij een week lang deze aap waren.