Jonge én oude generatie voelt pensioenbeleid

De pensioenmaatregelen zetten jongere generaties op afstand bij de opbouw van hun pensioenrechten. Terwijl de koopkracht van ouderen ongewis blijft.

Het moet een miljardenbesparing opleveren: verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar in 2021 en beperking van de fiscale aftrekbaarheid van de pensioenpremie. Maar jong en oud zullen die pensioenmaatregelen van het kabinet merken. De jonge generatie doordat beperking van de fiscale aftrekbaarheid alleen geldt voor nieuwe pensioenopbouw. Nu kunnen werknemers nog 2,25 procent van hun toekomstige pensioen opzijzetten. Vanaf 2015 wordt dat teruggebracht naar 1,75 procent. Voor mensen met inkomens boven de 100.000 euro verdwijnt de aftrekbaarheid zelfs helemaal.

De redenering achter die maatregelen is simpel: door verhoging van de pensioenleeftijd hebben werknemers ook langer de tijd om hun pensioen op te bouwen. Wie 40 jaar heeft gewerkt, krijgt daarna 70 procent van het gemiddelde salaris dat hij tijdens zijn carrière verdiende. Nu biedt de fiscus nog ruimte voor een pensioenopbouw die uitkomt op 90 procent van het gemiddelde salaris. Dat was ooit bedoeld om het leed te verzachten voor werknemers die al eerder een verschraling van hun pensioenrechten moesten accepteren.

Maar ook gepensioneerden leveren in als gevolg van de maatregelen. De gemiddelde AOW’er hoeft niet bang te zijn voor aantasting van zijn koopkracht. De komende vier jaar is er volgens het CPB geen sprake van noemenswaardige achteruitgang. Voor gepensioneerden met een bescheiden aanvullend pensioen van 10.000 euro ligt dat echter anders. Zij leveren meer dan 5 procent aan koopkracht in.

Koopkrachtplaatjes zeggen weinig over de individuele beleving van mensen en huishoudens, ook die van ouderen. Zij gaan er volgens het kabinet niet op achteruit, ondanks sombere verwachtingen over pensioenindexatie.

De koopkracht van mensen met alleen een AOW-uitkering neemt in 2017 toe met 0,25 procent.

Statistieken zeggen weinig over individuele gepensioneerden. Omdat statistieken geen antwoord geven op de vraag of het om gezonde of chronisch zieke gepensioneerden gaat. Want die laatste groep levert extra in: de tegemoetkoming voor chronische zieken (WTCG), de compensatie eigen risico of de fiscale zorgkostenaftrek. Wie ziek wordt, wat op oudere leeftijd al snel het geval kan zijn, levert zó enkele honderden euro’s in.

Gepensioneerden met een aanvullend pensioen zijn voor hun inkomen ook afhankelijk van het pensioenfonds waar zij in hun werkzame leven premies aan hebben afgedragen.Wie jarenlang in de metalektrobranche heeft gewerkt, loopt grotere risico’s op korting dan een KLM-gepensioneerde of de ambtenaar die zijn premies aan het ABP heeft afgedragen. Doordat de pensioenfondsen in de industriebranche slechter presteren dan andere fondsen.

In de politiek wordt voor de komende jaren uitgegaan van een ‘dubbele vergrijzing’. Niet alleen neemt het aandeel ouderen in de bevolking toe, ze worden ook steeds ouder. En dus kwetsbaarder.

Maar voorlopig zal volgens het SCP van die dubbele vergrijzing geen sprake zijn, nu veel babyboomers met pensioen gaan. Tussen 2010 en 2015 neemt vooral het aantal mensen tussen 65 en 69 jaar toe, en vanaf 2015 het aantal 70-74 jarigen. Pas vanaf 2025 is er een stijging van het aantal 80-plussers. En pas dan is sprake van dubbele vergrijzing en de daarbij horende zorgkosten.

Het totaal aantal gepensioneerden is dan ook flink gestegen, van zo’n 2,5 miljoen in 2010 tot 4,1 miljoen in 2030. Het aantal kwetsbare ouderen ook: naar verwachting gaat het dan om zo’n half miljoen ‘kwetsbare’ 75-plussers.