In de stad is zoeken naar DNA lastig

Het succes in de zaak-Vaatstra roept op tot meer en breder gebruik van DNA-onderzoek. Maar lang niet elke zaak leent zich hiervoor. Misbruik dreigt, betoogt Victor Toom.

Eindelijk! Na meer dan dertien jaar lijkt de moord op de zestienjarige Marianne Vaatstra opgelost. Daarmee is een voorlopig einde gekomen aan een van Nederlands geruchtmakendste opsporingsonderzoeken ooit. Een terecht en gemeend compliment voor politie, justitie, het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en de Friese bevolking.

Maar in hoeverre is het succes van het uitgevoerde DNA-bevolkingsonderzoek in deze zaak uit te breiden naar andere (nog onopgeloste) zaken?

Eigenlijk leek het opsporingsonderzoek naar de moordenaar van Marianne Vaatstra een beetje in de vergetelheid te raken. Totdat in mei van dit jaar bekend werd dat de moordenaar en Marianne elkaar waarschijnlijk kenden, dat werd aangenomen dat de moordenaar in de buurt van de plaats delict woonde, en dat forensisch onderzoek opnieuw uitwees dat het DNA van de moordenaar vaak voorkomt in Noordwest-Europa. De loop der gebeurtenissen rondom het opsporingsonderzoek, inclusief de uitzending van misdaadverslaggever Peter R. de Vries afgelopen mei, is niet toevallig.

Op 1 april van dit jaar trad namelijk de wet DNA-verwantschapsonderzoek in werking. Die maakt het mogelijk te zoeken naar onvolledige matches tussen DNA-profielen. Anders gezegd: er mag worden gezocht naar vergelijkbare, maar niet identieke DNA-profielen, wat de reikwijdte van de techniek sterk vergroot. In het Engels wordt vaak gesproken van een near match. In Engeland is dergelijk onderzoek zo’n tweehonderd keer uitgevoerd, en in ongeveer veertig zaken heeft het belangrijk bijgedragen aan de oplossing. Het NFI is in april direct aan de slag gegaan met het DNA-profiel van de moordenaar van Marianne. Het leverde echter geen near match op; eigenlijk is de Nederlandse DNA-databank te klein voor DNA-verwantschapsonderzoek.

Het Openbaar Ministerie (OM) besloot vervolgens om een DNA-verwantschapsonderzoek te beginnen naar een model van een medisch bevolkingsonderzoek. Net als bij bijvoorbeeld een bevolkingsonderzoek naar borstkanker zijn alle mannen in een straal van vijf kilometer om de plaats delict uitgenodigd voor deelname aan het DNA-verwantschapsonderzoek. Het OM liet weten dat 8.080 mannen waren uitgenodigd om DNA af te staan, en dat 89 procent gehoor gaf aan die oproep. Kortom, 900 mannen bleven weg. Verondersteld werd dat de moordenaar in deze groep zou zitten, maar gisteren bleek dat dus niet het geval te zijn, gegeven de berichtgeving over de arrestatie van de verdachte man.

Het onderzoek naar de moord op Marianne Vaatstra lijkt zich perfect te lenen voor het georganiseerde DNA-verwantschapsbevolkingsonderzoek: het betreft een van de ernstigst denkbare misdrijven met zeer veel maatschappelijke onrust. Maar wellicht de belangrijkste reden voor succes in deze zaak is de locatie van de plaats delict: een dunbevolkt stukje Nederland – dus relatief weinig potentiële verdachten – met gemeenschapszin.

De Telegraaf kopte gisterochtend op internet al dat de DNA-match in deze zaak ‘reclame’ is voor dit type onderzoek, daarmee suggererend dat het vaker moet worden toegepast in onopgeloste, zware en schokkende misdrijven. Maar zo vanzelfsprekend is dat niet.

Op dit ogenblik wordt in een aantal cold cases overwogen DNA-verwantschapsonderzoek in te zetten. In een geruchtmakende zaak, de ‘Utrechtse serieverkrachter’, voert het NFI al een DNA-verwantschapsonderzoek uit in de databank. Als dit niet tot resultaten leidt, dan overweegt de Utrechtse hoofdofficier van justitie te beginnen met een DNA-verwantschapsbevolkingsonderzoek. Ernstig misdrijf: ja. Geschokte maatschappij: zeker. Maar een kans op een succesvol resultaat?

In een straal van vijf kilometer om het gebied waar de serieverkrachter actief was, liggen gemeenten als Houten, Bunnik, Zeist, De Bilt, Bilthoven, een groot gedeelte van Utrecht en de Universiteit Utrecht. In potentie zou het onderzoek zich dus richten op enkele honderdduizenden mannen en hun familie. De ervaring in Friesland leert dat ongeveer 10 procent niet komt opdagen na een oproep; in de zaak van de Utrechtse serieverkrachter zou dat in potentie leiden tot duizenden mannen die geen DNA afstaan. Worden zij allemaal extra interessant voor de recherche? Moeten zij worden verplicht tot deelname, desnoods door weigeraars op te halen voor DNA-onderzoek? De VVD en het CDA lieten in 2009 al weten voorstander te zijn van het verplichten van deelname aan grootschalig DNA-onderzoek. Het is in deze context wachten op een voorstel van het tough on crime-duo Opstelten en Teeven om dat daadwerkelijk mogelijk te maken.

Het nieuws van gisteren is ontegenzeggelijk geweldig. Na al die tijd een verdachte opgepakt! Het zal er zeker toe leiden dat DNA-verwantschapsbevolkingsonderzoek sociaal-maatschappelijk geaccepteerd zal worden. Zullen politici de lokroep dit middel breder in te zetten kunnen weerstaan? Wie is er immers niet voor meer zware criminelen die worden opgespoord?

Waar een dergelijke vraag aan voorbij gaat, is dat met dit opsporingsmiddel iedereen potentieel tot onderdeel kan worden gemaakt van een opsporingsonderzoek – niemand is onschuldig totdat het tegendeel is bewezen; schuldig totdat u heeft aangetoond dat u de dader niet kunt zijn.

Deze techniek is geschikt onder zeer specifieke omstandigheden. Het DNA-verwantschapsbevolkingsonderzoek moet daarom gereserveerd blijven voor een zeer specifieke soort van onopgeloste misdrijven: de ernstige en schokkendste zaken, waarbij zeldzaam DNA is aangetroffen, en waarvan het zeer aannemelijk is dat de onbekende verdachte in een dunbevolkt gebied woont. Dat betekent helaas ook dat het onderzoek naar de Utrechtse serieverkrachter en andere cold cases buiten deze criteria vallen.

Victor Toom is NUCFS research associate en Leverhulme Trust early career research fellow aan het Northumbria University Centre for Forensic Science in Newcastle upon Tyne, Verenigd Koninkrijk.