Elvis tussen de arbeiders

Zakenbank JP Morgan toonde dit weekend haar eigen collectie op de grootste Europese fotobeurs in Parijs. Het waren vooral veel zwart-witbeelden over armoe. Sympathiek of hypocriet?

Aan de oever van een rivier genieten twee stelletjes van een picknick in zwart-wit: de opgerolde hemdsmouwen van de mannen verraden hun eenvoudige komaf. Het is 1938 – het recht van Franse arbeiders op twee weken vakantie per jaar is een recente verworvenheid. Voor wie dat weet is de foto Juvisy, France van Henri Cartier-Bresson niet alleen een vrijetijdstafereel, maar ook een document van een progressieve, politieke overwinning.

Juvisy, France is de openingsfoto van Spectacular Vernacular, een tentoonstelling van JP Morgan Chase op Paris Photo. De zakenbank is sponsor van de grootste fotobeurs van Europa, waar tienduizenden fotografen, handelaren, verzamelaars, galeriehouders en fotoliefhebbers vier dagen lang bijeenkomen onder het glazen plafond van het Grand Palais aan de Seine. Bezoekers dwalen van stand naar stand, hier weer een enorm naakt van Helmut Newton bewonderend, daar weer bladerend door een boek van Sophie Calle.

Alles is te koop op de beurs, behalve de foto’s van Spectacular Vernacular zelf: de werken komen uit de bedrijfscollectie van JP Morgan Chase en keren straks terug naar de kantoormuren van de bank. De tentoonstelling over ‘de complexiteit en schoonheid van het alledaagse’, is dus niets meer of minder dan een visitekaartje. Terwijl op de openingsdag van de beurs stakingen de Thalys naar Parijs doen vertragen, speelt de vooraanstaande, financiële firma zich in de kijker met een lofzang op ‘de 99%’. Sympathiseert de zakenbank nu plots met de arbeider?

De 32 foto’s op Spectacular Vernacular hangen in een bescheiden expositieruimte tussen de galeriestands. Naast de Franse Henri Cartier-Bresson zijn vooral veel Amerikaanse grootheden vertegenwoordigd, zoals Walker Evans en William Eggleston. Ook Robert Frank geeft acte de présence. De Zwitser werd beroemd met de foto’s die hij begin jaren vijftig maakte tijdens roadtrips door de Verenigde Staten.

Alle foto’s die Lisa K. Erf, conservator van de JP Morgan Chase Art Collection, voor Paris Photo heeft geselecteerd komen uit de hoogtijdagen van de geëngageerde documentairefotografie. Kenmerkend voor die periode tussen de jaren dertig en tachtig van de vorige eeuw: een snapshotachtige stijl, een voorkeur voor zwart-wit, en een letterlijk naar buiten gerichte blik. Behalve Graceland, een serie kleurenfoto’s die Eggleston in 1983 in de villa van Elvis Presley maakte, de twee motelkamers die Friedlander in 1962 vereeuwigde, en een portret van een boer van Eve Arnold uit 1983, zijn alle foto’s op Spectacular Vernacular gemaakt op straat.

Juvisy, France wordt gevolgd door Dublin, Ireland, een foto die Cartier-Bresson maakte in 1952. In een arme buurt spelen een jongetje en meisje op straat. Op de stoep onder hun schoentjes is een vervagende krijttekening nog half zichtbaar; hun kleren zijn smoezelig en hun gezichten zijn vies. De foto kwam in 1983 in bezit van JP Morgan Chase. Dat jaar werd de Lincoln First Bank ingelijfd en daarmee kwam ook diens fotografiecollectie mee.

De in 1959 opgerichte JP Morgan Chase Art Collection geldt als een van de grootste en oudste bedrijfskunstcollecties ter wereld. Net als bij andere bedrijven heeft de collectie meerdere functies, van inspiratiebron voor werknemers en cliënten tot een vorm van social responsibility. Een kunstcollectie is ook een marketinginstrument: de bank wil er affiniteit met creativiteit en innovatie mee laten zien. Soms worden werken uitgeleend aan tentoonstellingen van andere musea, heel af en toe organiseert de bank een eigen tentoonstelling, zoals nu, op Paris Photo.

In Spectacular Vernacular lijkt het ‘alledaagse’ uit de titel vooral samen te vallen met het arbeidersleven en armoede. Even naast de Franse keuterboeren van Henri Cartier-Bresson hangen vier foto’s die Walker Evans maakte in het door de Grote Depressie getroffen Amerika van de jaren dertig.

En ook op Cleveland, Wisconsin, Farmer (1983) van Eva Arnold, een van de twee kleurenfoto’s op de tentoonstelling, blikt een oudere boer vanaf een bankje in de camera – armen over elkaar, een overall vol vlekken, trotse ogen. We zien etalages, billboards, arbeiders, toeristen.

Is de keuze van de bank die dankzij slimme overnames sterker uit de crisis is gekomen voor ‘de gewone man’ nu sympathiek of hypocriet? Het lijkt gedurfd om in een tijdperk dat regelmatig als ‘de Grote Recessie’ wordt omschreven – een recessie mede veroorzaakt door risicovol gedrag van banken als JP Morgan – de Grote Depressie aan de muur te hangen.

We zien ook interieurs van de villa van Elvis Presley, John F. Kennedy tijdens een toespraak, en Marilyn Monroe in een karakteristiek kokette pose: die onderwerpen lijken minder voor de hand liggend – al zijn de iconen, als volkshelden, natuurlijk wel ‘van iedereen’. Het is lastig om in het contrast tussen het karige, zwart-witte interieur van de arbeiderswoning van Evans en de kleurige, protserige luxe van de villa van Elvis geen commentaar op het contrast tussen de armsten en rijksten van deze wereld te zien.

Aan de andere kant is de keuze van JP Morgan Chase een veilige: de foto’s zijn gemaakt door een vorige generatie fotografen, die een tijdperk vastlegde dat nu voorbij is – over de huidige situatie zwijgen zij. Evans, Frank en Winogrand waren spraakmakend in hun tijd, maar inmiddels zijn ze bijgezet in de canon van de fotografie – klassiek verklaard, en daarmee geneutraliseerd. Zo bezien gaat het visitekaartje van de bank over een alledaagsheid die niet meer van deze tijd is – en dat maakt het visitekaartje ook een stuk minder spectaculair.

    • Lynn Berger