De herinnering is altijd leuker

In zijn zwaarmoedigste buien krijgt hij de geestigste invallen. Acteur en kunstenaar Michiel Romeyn (57) speelt in Alles is familie, die vanaf donderdag in de bioscoop draait. Dit is wat hij van het leven weet – tot nu toe.

Michiel Romeyn, Amsterdam 13 11 2012. Fotografie: Mieke Meesen

Michiel Romeyn kreeg een Gouden Kalf voor zijn rol in de speelfilm Van geluk gesproken (1987), werd beroemd door Jiskefet en speelde de rol van zijn leven in Alles is liefde. In die film was hij een zwerver die per ongeluk succes heeft als Sinterklaas. In de opvolger, Alles is familie, die vanaf donderdag in de bioscoop is te zien, zit hij naar eigen zeggen „maar één seconde”.

Romeyn doet nu mee aan Maestro: een AVRO-programma waarin bekende Nederlanders worden getest op hun kwaliteit als dirigent van een groot orkest. En hij is beeldend kunstenaar. Zijn magnum opus: foto’s van stoeptegels waar kort daarvoor criminelen zijn geliquideerd. „Die plekken geven je het hele concrete besef dat het elk moment afgelopen kan zijn.” Het is work in progress.

■„Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik ergens bij hoor. Ik ruik er wel aan, maar uiteindelijk hoor ik er niet bij. Clubjes hebben zo hun voorwaardes. Ik ging altijd voor de volle tweehonderd procent voor zo’n clubje, maar uiteindelijk val je dan het hardst van allemaal op je bek. Ik heb geleerd een bepaalde afstand te houden. Jiskefet was geen clubje. Wij waren drie totaal verschillende mensen die met elkaar toevallig een chemische reactie hadden.”

■„Mensen willen vermaakt worden. En als je het slim doet, kan je er veel geld mee verdienen. Volgens mijn moeder heb ik altijd de drang gehad om de boel te vermaken. Misschien ook uit gêne, ik kan er nog altijd slecht tegen als er mensen aan tafel zitten die niet zoveel te vertellen hebben. Word ik zenuwachtig van.

„Ik zit echt in het amusementscircuit. Terwijl ik er vaak helemaal geen zin in heb. Het moet wel een geintje blijven. Ik wil zelf ook wel eens vermaakt worden – nu ik eens een keertje! – maar ik zie in Nederland nooit iets waar ik om moet lachen. Zet ik de tv aan en dan zie ik ze weer langskomen, de cabaretiers. Dit is helemaal niet leuk, denk ik dan, dit is ingestudeerd leuk. Talent voor verbittering heb ik niet, daar ben ik te ironisch of te cynisch – noem het maar zoals je het wilt – voor. Maar sinds ik in de tv-serie Rembrandt heb gespeeld word ik bijna nooit meer ergens voor gevraagd. Soms zit ik naar de telefoon te kijken en denk ik: ga jij ooit nog eens?

„Ik ben ook beeldend kunstenaar. Het is een prima hobby, maar dat werk wil ik ook wel eens kwijt. En maak je geen illusies over de gallery-wereld.”

■„Sommige dingen doe je uit angst. Vroeger bij de krakersrellen, op de Dam en in de Vondelstraat, liep ik vooraan. Ik gooide niet met stenen, maar ik vond het spannend. En doodeng tegelijkertijd. Ik ben bang dat ik een nogal sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel heb. Mijn hele leven al. Ik ben bang voor geweld, auto-ongelukken, dat soort dingen. Maar ik liep altijd mee te sjouwen met ambulancepersoneel, ik vond dat ik moest helpen. En zo kom ik ook in ruzies terecht: als ik het ergens niet mee eens ben, kan ik me er niet buiten houden. Gevochten heb ik niet vaak, omdat ik gelukkig nogal intimiderend overkom.

„Ik liep een keer over de Zeedijk, op weg naar de Chinees, toen een of andere lul uit de provincie mijn hond een schop gaf. Voordat ik het wist pakte ik die man bij zijn revers, zet mijn knie in zijn kruis en schop ’m in één klap naar de overkant van de straat, toch een meter of zes. Op dat moment komen zijn vijf vrienden eraan, nog groter dan hijzelf. Ik denk: dit is gewoon mijn dood, nu. Maar ik trek mijn jas uit, en zeg: ‘Oké, de volgende, kom maar op!’ Waarop die vrienden zeggen: ‘We gaan, die man is niet goed bij zijn hoofd.’”

■„Alles wordt plat en ordinair. Iets wat ik altijd heb vermoed, is nu aan het uitkomen. Mensen gaan, ook in mijn omgeving, steeds handiger praten als ze in een lastige situatie zitten. Zo krom als een hoepel, maar zo recht als een kaars aan het eind van het gesprek. Ik speelde ze al in Jiskefet: jofele criminelen die werkelijk geen enkele gêne meer kennen. Sterker nog, het is een voorwaarde om geen gêne te kennen. ‘Ik ben een gewone jongen, ik kan gewoon met m’n scootertje door Amsterdam rijden, een biertje drinken met m’n oude gabbertjes. Oké, ik heb fouten begaan. Iederéén begaat fouten.’ Dat werk. Het Moszkowiczisme.”

■„Het ultieme kunstwerk is Estelle Gullit die voor SBS Shownieuws door Evert Santegoeds wordt geïnterviewd. Fantastisch, dat moet op dvd gezet worden. Die kamer waarin ze zit, dat aangeleerde hikje in haar stem, die emotie. Het leek wel of ze in Dallas zat, ook dat interieur. Het zegt in wezen meer over de Nederlander dan over die mensen. Zoals Geert Wilders ook meer zegt over de Nederlanders dan over zichzelf. Het is een klankbord van wat men denkt, wat men vindt. Nederland is veranderd in een soort surrealistisch landschap. Willem Holleeder die bij die Twan Huys zit: wat mij betreft óók een ultiem kunstwerk. Hoe je het ook wendt of keert, die man wordt op een platformpje gezet. En denk je nou echt dat die man, na eenentwintig jaar in de gevangenis, ineens iets gaat zeggen? Dat is een naïeve en stompzinnige gedachte. Voor je het weet staan ze allemaal bij Wedden dat… en is Twan Huys de quizmaster. En daarna natuurlijk een musical.”

■„Af en toe vind ik er allemaal geen bal aan. Ik ben zwaarmoedig, dat zit in de familie. Ik vind mensen dom.” (lacht) „Maar goed, laten we het serieus houden. Mijn zwaarmoedigheid uit zich in: heel lang naar het plafond staren. Lethargie. Maar ik verzin wel de leukste dingen als ik somber ben. De meest zwaarmoedige, geestigste scènes komen uit zwaarmoedige gedachtes. Ik vind zwaarmoedigheid niet per se een onaangename staat van zijn. Het heeft ook met intelligentie te maken. Het is toch volkomen logisch als je denkt: Dat gekwetter en dat gelul, waar dient het allemaal toe?”

■„Als je iets maakt blijkt de herinnering eraan altijd leuker dan het resultaat. Ik kijk nooit naar dingen van mezelf, never. Voor mij is het maken het enige belangrijke, daarna doet het er niet meer toe. Mijn vader tekende elke dag, altijd bezig. Bezig zijn, dáár gaat het om. Ik moet mezelf weer eens dwingen om ’s ochtends vroeg op te staan en aan de slag te gaan.”

■"„Vrouwen versieren heb ik nooit gekund. Je moet jezelf zo opdringen, dat vind ik gênant. Van de weeromstuit ga ik heel erg opscheppen, over wat ik allemaal gedaan heb. Ik had vriendjes die er meesters in waren. Van die geïnteresseerde gesprekjes voeren en voor je het wist liepen met zo’n meisje hand in hand de deur uit. Hoe krijgt die lul dat nou voor elkaar, dacht ik dan.”

■„Uiteindelijk zijn we allemaal de lul, en dat vind ik eigenlijk niet te harden. Bang voor de dood ben ik niet, maar ik vind het zo oneerlijk. Ben je net een beetje boven jan – altijd goed je best gedaan, op school gezeten, uitgekeken met oversteken, geprobeerd goed je geld te verdienen – is het: ‘Kom op Romeyn, wat denk je ervan? Ga zo langzamerhand maar eens mee!’ Ik heb dan toch iets van: „Nee, Dood, laat me nog even zitten!”