Bijna 'tzelfde, ei zo na gelijk

Ze vallen niet erg op, die kleine verschillen tussen Vlaams en Nederlands. Maar ze zijn er wel degelijk, en talrijk ook.

Het moet frustrerend zijn voor oudere Belgen die zich hebben toegelegd op het Algemeen Nederlands, om te ontdekken dat hun taal toch nog honderden verschilletjes blijft vertonen met de taal die in Nederland wordt gesproken. Veel verschillen zijn geboekstaafd in boekjes als Niet zo, maar zo en Het juiste voorzetsel. Hieruit kregen dialectsprekende Vlamingen het Standaardnederlands aangeleerd. Ze mochten bijvoorbeeld niet zeggen dat iets aan een bepaalde prijs werd verkocht; dat moest voor of tegen zijn. Ze moeten het zeggen zoals in Nederland gebruikelijk is, niet zoals in Frankrijk.

Af of uit. Veel van zulke verschillen zijn buiten de boekjes gebleven, of ze zijn niet hard genoeg bestreden. Talloze uitdrukkingen worden zowel boven als onder de landsgrens gebruikt, maar met een klein verschil. De keuze voor het voorzetsel wijkt bijvoorbeeld nogal eens af: Nederlanders doen hun sieraden af, Vlamingen doen ze, net als hun kleren, uit. Je kunt bij iemand op of in een goed blaadje staan en je kunt op of in de trein zitten.

Pijl of steen. Vaak is het vormverschil iets groter en opvallender. Ook al gaat het maar om één woord in een uitdrukking, de betekenis blijft dezelfde. Of het strand nu op een boogscheut of een steenworp van je vakantiehotel ligt, je hoeft niet ver te lopen.

Sterren of klippen. We kennen geen punten toe voor de beste of krachtigste beeldspraak, maar stellen toch vast dat het Vlaamse tegen de sterren op imposanter klinkt dat het Nederlandse tegen de klippen op. Daarentegen is een Nederlands dubbeltje in de vergelijking ‘zo plat als’ weer veel platter dan een Vlaamse vijg.

Varianten. Soms is er niet zozeer sprake van een verschil tussen België en Nederland, maar van een specifiek Belgische variant, naast de uitdrukking die in beide landen bekend is. Voorbeelden, met de variant tussen haakjes: het is afgelopen (gedaan), het is vlees (mossel) noch vis; iemand de les lezen (spellen); je iets in het hoofd halen (iets in je kop steken); in je schelp (schulp) kruipen; met iemand nog een appeltje te schillen (eitje te pellen) hebben; zwijgen als het graf (als vermoord).

Bij het duo vast en zeker of zeker en vast is er geen sprake van gelijkwaardigheid. ‘Vast en zeker’ drukt een waarschijnlijkheid uit. Is iets ‘zeker en vast’, dan is er geen twijfel.