Amandelboom

“Ik groeide op in Jeruzalem en ik had een normale jeugd. Maar in het Midden Oosten betekent dat leven met oorlog”, zegt de filmmaker B.Z. Goldberg tijdens de introductie van zijn film Promises (2000). De definitie van een “een normale jeugd” is grillig. Wat voor de een normaal is, is voor de ander volstrekt onbekend,

“Ik groeide op in Jeruzalem en ik had een normale jeugd. Maar in het Midden Oosten betekent dat leven met oorlog”, zegt de filmmaker B.Z. Goldberg tijdens de introductie van zijn film Promises (2000).

De definitie van een “een normale jeugd” is grillig. Wat voor de een normaal is, is voor de ander volstrekt onbekend, anders, of zelfs raar en verwerpelijk. Je zou denken dat iedereen het over één universeel ding eens is: we willen vrede. Maar zo simpel werkt het niet. Als we vrede zouden willen dan was er wel vrede, al is óók dat wat simpel gezegd.

De complexiteit van (in dit geval) het Midden-Oosten conflict wordt in de film Promises uitstekend belicht door B.Z. Goldberg. Hij volgde gedurende een aantal jaren zeven kinderen uit Jeruzalem, afkomstig uit zowel gematigde als extremistische Palestijnse en Israëlische gezinnen. Ze leven niet meer dan twintig minuten van elkaar maar groeien op in totaal verschillende werelden.

Die kinderen zijn een gouden vondst. Nu eens geen politici, extremisten of soldaten aan het woord, maar kinderen die nog een heel leven voor zich hebben, wier ideeën nog te vormen en te beïnvloeden zijn. Als je toekomst zoekt voor de vrede moet je beginnen bij het kind. En daar ligt ook meteen het gevaar, zo toont de film. De kinderen nemen klakkeloos de ideeën van hun ouders over.

Israëlische kinderen horen aan de keukentafel hoe er gepraat wordt over de gruweldaden van de Palestijnen en vice versa. Een Palestijnse oma neemt haar kleinzoon mee naar een verwoest dorp in de Gazastrook. “Dit is ons huis. De voordeur was bij de amandelboom.” Ze overhandigt de jongen een sleutel: “Moge jij, je vader, je zoon en je kleinzoon weer terugkeren. Bewaar de sleutel zorgvuldig.”

De jongen weet zeker dat hij nooit naar het dorp zal terugkeren. Hij wil maar een ding: weg met de grenzen en de controleposten.

Als Goldberg aan alle zeven kinderen voorstelt om elkaar te ontmoeten volgt het meest aangrijpende gedeelte van de film. De kinderen praten met elkaar, er wordt gehuild, gevoetbald en lol gemaakt. Maar dan moeten ze terug naar hun eigen gebied. Het leven gaat door, de controleposten blijven; ze kunnen elkaar niet meer bereiken. De hoop is op die manier snel vervlogen.

“Mijn vader vertelde mij dat ik als volwassen man in vrede zou leven”, zei een Israëlische reservist gisteren in de Volkskrant. “En wat ga ik straks aan mijn kinderen vertellen?”