We spreken de taal die ons past als een uniform

Taal is niet alleen een middel om iets te zeggen tegen elkaar. Een andere functie is zeker zo belangrijk: uiting geven aan onze identiteit binnen groepen waartoe wij willen behoren. Over ‘urremurren’ en ‘merci om trager te rijden’.

De wereld telt ongeveer zesduizend talen. Waarschijnlijk zijn die allemaal geëvolueerd uit één oertaal. Een van de oorzaken van de versnippering is dat het volk dat die eerste taal sprak, zich gesplitst heeft in meer stammen, die zich op andere plaatsen hebben gevestigd en die ook anders zijn gaan leven. Omdat taal onder meer uiting geeft aan een manier van leven, zijn die talen dus veranderd.

Maar er speelde nog een fenomeen. Zodra mensen die tot een bepaalde gemeenschap behoren, merken dat er kleine taalverschillen zijn met naburige groepen gaan ze die verschillen cultiveren. Op die manier maken ze duidelijk dat zijzelf tot hun groep behoren, en de anderen niet. Taal als een uniform – het is een kwestie van identiteit zoeken en bevestigen.

Een actueel voorbeeld hiervan is het ‘verengelsen’ van de taal, waardoor de slot-r van woorden zal verdwijnen: van moeder via moedej naar moede. Dat is een Nederlands fenomeen. In Vlaanderen is hiervan nog weinig te merken.

Taal staat permanent onder spanning. Aan de ene kant is het een communicatiemiddel. In dat opzicht is het een pluspunt als die taal door zo veel mogelijk mensen gebruikt wordt. Aan de andere kant helpt ze ons een sociale en culturele identiteit aan te nemen en versterkt ze het groepsgevoel, wat de verschillen tussen talen accentueert. Elke taal is een compromis tussen deze twee tegenstrijdige eisen.

Dat speelt ook binnen een taal als de Nederlandse. Aan de ene kant wint die aan communicatiekracht als we allemaal hetzelfde Nederlands spreken en schrijven. West-Vlamingen kunnen dan moeiteloos in gesprek gaan met Groningers; boeken die in Limburg zijn geschreven, worden ook gelezen in Noord-Holland; televisieprogramma’s worden zonder ondertitels uitgewisseld tussen Nederland en Vlaanderen; jongeren uit de stad begrijpen ook ouderen van het platteland – en omgekeerd.

Aan de andere kant gaan mensen zich meer identificeren met een taal als die de eigenheid van hun eigen, kleinere gemeenschap uitdrukt. Dat werkt de versnippering in de hand. Elk dorp z’n eigen taal. De standaardtaal leren velen vaak pas op school. Niet iedereen slaagt erin die standaardtaal ook nog eens te beheersen naast zijn eigen moedertaal.

Tot het midden van de vorige eeuw was het beheersen van de standaardtaal een privilege van een beter opgeleide en ook bevoorrechte klasse. Sindsdien is de standaardtaal gedemocratiseerd, wat inhield dat meer mensen deze leerden te gebruiken, maar ook dat de gemiddelde beheersing achteruitging. Daarenboven wil niet iedereen een uniforme taal hanteren waarin zijn persoonlijkheid niet doorklinkt.

Soldaten, studenten, ambtenaren, medisch personeel en andere beroepsgroepen ontwikkelen een woordenschat die niet alleen als vakterminologie bestempeld kan worden, maar ook dient als karakteristieke slang voor gebruik onder gelijkgestemden.

Sommige groepstalen blijven beperkt tot een kleine kring. Bekend is het verschijnsel thuistaal: mensen bedenken woorden en uitdrukkingen voor gebruik binnen hun eigen gezin. Daar ontstaat idioom, zoals ‘algemeen boodschappelijk werk’ (boodschappen doen), ‘een lichte fietsing’ (ommetje per fiets) en ‘urremurren’ (tegenstribbelen van kleuters). Anderen gaan in chatsessies een babytaaltje imiteren, met verkleinwoordjes en uitspraakfouten: ‘ikke weer thuis gezezzie feesie gehad nu slapie doen’. Ook populair is pseudo-Spaans: met ‘los ballos’, of ‘hasta la pasta’ als afscheidsgroet.

Waar twintig jaar geleden vrijwel alleen schriftelijk gecommuniceerd werd in de standaardtaal zijn groepstalen nu alomtegenwoordig in de sociale media. De druk die dat zet op de standaardtaal wordt nog versterkt door de populariteit van informele variëteiten, zowel in Vlaanderen als in Nederland.

In Vlaanderen is tussentaal overal te horen. Niet alleen binnenskamers, maar ook in de openbare ruimte. Overal kom je borden tegen die automobilisten aansporen om vaart te minderen met de slogan ‘Merci om trager te rijden’. Ook het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid doet mee: ‘Gene zever: binnenkort speekseltest tegen drugs in het verkeer.’

Tegenstanders letten scherp op het succes van niet-standaardvariëteiten. Geert van Istendael bedacht de term Verkavelingsvlaams voor tussentaal en schrijft daarover: ‘Het is de taal van een nieuwsoortig, door en door vals Vlaams zelfvertrouwen, het is de taal die uit minachting voor de spraak van gewone mensen en uit angst voor Nederlands geboren is. Een wangedrocht is het, die taal van het nieuwe Vlaanderen, dat blaakt van intellectuele luiheid.’

Of het Verkavelingsvlaams een normale stap is, of een hindernis, over één ding zijn voor- en tegenstanders het eens: het ontstaan ervan heeft te maken met sociale en culturele ontwikkelingen – mensen hebben die taal omarmd, omdat ze meenden dat die past bij hun identiteit. Onderzoeker Koen Plevoets spreekt van de ‘opzichtige ontspanning’ die welvarende groepen in de samenleving tentoon kunnen spreiden om te laten zien dat ze sociaal-economisch weinig meer te vrezen hebben.

De Nederlandse variant die overeenkomt met de Vlaamse tussentaal is het Poldernederlands. Eerst was dat de nogal plat klinkende uitspraak met bijvoorbeeld maain in plaats van mijn, luik voor leuk en kaaud voor koud. Intussen heeft deze vorm het ABN grotendeels verdrongen in Nederland. Dat deze groepstaal zich zo snel heeft verspreid, heeft volgens Jan Stroop, die het verschijnsel als eerste beschreef en een naam gaf, een economische achtergrond: „Ik waag de stelling dat de mentaliteit die inherent is aan het poldermodel – namelijk die van individualisme, scoren en dat-maak-ik-zelf-wel-uit – ook de opkomst van het Poldernederlands bevorderd heeft.”