Vuilnisbelt van tekst

Ik word ook maar gestuurd. Ze nodigen me uit, zetten me op een stoel, praten tegen me aan, en dan verwachten ze dat ik op deze plek verslag doe. Of liever nog alarm sla. Een column, legde laatst iemand me uit, is een ontluchtingsklep; als de druk in een systeem te groot is, begint het ergens in een krantenkolom te fluiten.

Ditmaal praatte iedereen tegen me aan over academische vrijheid en het niveau van de wetenschap. Iemand stuurde zelfs een knipsel uit The Guardian, over 65 Britse intellectuelen die zojuist een club hebben opgericht ter bescherming van de universiteiten, de Council for the Defence of British Universities. Tot de oprichters behoren Sir David Attenborough, Dame A. S. Byatt, Lord Bragg, Lord Rees en dergelijke rebellen.

Klacht van deze club is het verval van de universiteit: marktwerking en politieke invloeden tasten de kwaliteit van zowel onderzoek als onderwijs aan. De voormalige president van de British Academy haalde in een toelichting bovendien flink uit naar de vadsige en indolente universiteitsbestuurders die niets doen tegen het bederf van centrale waarden. Iedereen die vanuit bestaande geldstromen wordt betaald, houdt zijn mond, intussen glijdt de academie de afgrond in.

Nu had ik toevallig net een gesprek gevolgd over het gedrag van wetenschappers zelf. Die nemen het met de academische waarden namelijk ook niet zo nauw; niet dat ze allemaal frauderen, maar ze produceren veel rommel. Zodra een onderzoeksveld is aangewezen als speerpunt of topprioriteit of innovatiegebied, holt iedereen hijgend die kant op en begint het onderzoek te herhalen dat al eerder en beter is gedaan door de pioniers. Dit papegaaienonderzoek – dat wereldwijd ‘ik ook onderzoek’ heet – is zelden nuttig, maar er is wel heel veel van.

En natuurlijk, hoe meer onderzoek je produceert, hoe meer instrumenten je nodig hebt ter beheersing en controle van de productie. Hoe meer managers dus, en hoe meer beoordelingsgesprekken, visitaties en audits. En zodra al deze – ‘ik ook’ – controleurs een baan hebben, willen ze vanzelfsprekend niet dat de productie vermindert, dus worden de wetenschappers gemaand niet minder, maar meer troep te maken. Dat doen ze vervolgens. Ze verhogen het tempo, schrijven steeds opnieuw dezelfde inzichten op, denken nauwelijks nog na, slapen drie uur per nacht en werken constant. Bij ieder succes krijgen ze een grotere hekel aan zichzelf en de universiteit, en dus wordt het volgende artikel nog slechter.

Nu beginnen er klachten over fraude te komen. Er moeten strengere toezichtsystemen en kwaliteitswaarborgen worden ontworpen, en daar komen weer nieuwe – ‘ik ook’ – mensen aan te pas. Omdat die hun brood verdienen met het maken van regels en begrijpelijkerwijs ook productie moeten draaien, komen er steeds meer regels, die ook allemaal moeten worden gehandhaafd; zodat iedere wetenschapper nu vele hongerige monden heeft te voeden. De morele druk om flutstukken te schrijven, is gestegen tot het punt waarop ergens iets begint te fluiten.

Het is verleidelijk de oorzaak voor deze explosieve groei van onzin te leggen bij politici die verkeerde doelen stellen. Maar de oorzaak lijkt toch ook te liggen bij al die mensen die werk doen terwijl ze zelf ook wel weten dat het nergens toe bijdraagt. Het probleem is dat ze niet weten wat ze anders zouden moeten doen. Er zijn steeds meer hoogopgeleiden op de wereld; die kunnen niets beters doen dan hun gedachten op papier zetten. En nu papier niet langer schaars is, door de digitalisering, produceren ze meer regels, managementinstrumenten, papers en meningen dan ooit.

Uit sympathie met het plan om de academie te redden, heb ik de website bezocht van de Council for the Defence of British Universities. „De Britse universiteiten behoren tot de beste der wereld”, staat er. „Maar ze worden bedreigd door onjuiste beleidsmaatregelen.” Om aan te tonen hoe goed de universiteiten zijn, wordt allereerst opgesomd dat ze „meer internationale studenten”, „meer papers”, „meer veel geciteerde papers”, kortom meer van alles omzetten.

De Council zet deze bewonderenswaardige veelheid af tegen een betreurenswaardige veelheid van managementmaatregelen en administratieve regels – maar volgens mij hangt de ene veelheid regelrecht met de andere samen. Beide komen voort uit de plicht van de hoogopgeleiden tot productie.

Zoals bedrijven steeds meer rotzooi produceren, dingen die we meteen weg kunnen gooien, zo produceren managers, juristen, bestuurders en onderzoekers een drijvende vuilnisbelt van tekst in de oceaan, waaruit onherkenbare taalconstructies aanspoelen op de kusten, die het milieu besmetten, de geestelijke gezondheid bedreigen en een gevaar vormen voor onze kinderen en toekomstige generaties. Er moet dringend worden ingegrepen.

Althans, iemand moet er toch iets van zeggen? Iemand moet toch de druk van de ketel halen en aandringen op minder productie in plaats van meer? Ja, inderdaad. Dat is precies de taak van de columnist, en daarom zijn er tegenwoordig ook steeds meer – ‘ik ook’ – columnisten. Het klinkt tamelijk ondoorgrondelijk, maar zo werkt het systeem en het klopt allemaal precies.

Maxim Februari is filosoof en schrijver.