Vroeger waren we intelligenter, toch?

Geneticus Gerald Crabtree denkt dat de mens 6.000 jaar geleden slimmer was, omdat het toen nodig was. Onzin, vinden zijn vakgenoten.

De kunstzinnigheid in de prehistorie was al hoog ontwikkeld, hier te zien in de grot van Lascaux (de beroemde ‘scene met de sjamaan’), ca. 15.000 jaar oud en de ‘Venus van Brassempouy’, een 20.000 jaar oud beeldje, 3,5 cm groot. Maar waren de mensen echt slimmer dan nu? Foto´s AFP

Wij mensen worden steeds dommer. En gek genoeg komt dat doordat er zoveel genen voor intelligentie zijn. Want sinds de uitvinding van de landbouw is de selectiedruk op mutaties in die genen verzwakt.

Dat is de kern van een essay van moleculair geneticus Gerald Crabtree dat Trends in Genetics vorige week online publiceerde. Zijn idee gaat inmiddels als een lopend vuurtje over internet (‘Beschaving maakt ons dommer!’). Het sluit aan bij oude culturele intuïties over de voortdurende degeneratie van de mensheid: alles wordt minder.

Als we iemand van 3.000 jaar geleden, of 6.000 jaar, zouden terughalen naar onze tijd, schrijft Crabtree, „zou ik wedden dat hij of zij tot de slimste en levendigste van onze vrienden en collega’s zou behoren, met een goed geheugen, grote ideeënrijkdom, en scherpe inzichten. En hij of zij zou ook tot de emotioneel meest stabiele vrienden behoren.” En dan te bedenken dat Crabtree werkt aan een van topinstituten van de wereld: Stanford University in Californië.

Het is een recent inzicht dat heel véél genen (2.000 tot 5.000, bijna een kwart van àlle menselijke genen) invloed hebben op intelligentie. Dat leidde zelfs tot speculaties dat er eigenlijk vooral genmutaties voor domheid moeten bestaan. Want aan zo’n nauw samenhangend gensysteem valt waarschijnlijk weinig te verbeteren, maar wel veel te verpesten. In een paar duizend jaar heb je al gauw twee of meer schadelijke mutaties, rekent de geneticus Crabtree voor. Om die domheidsmutaties uit de algemene genenpool te wieden heb je een vrij harde natuurlijke selectie nodig.

Volgens Crabtree was die selectie in de prehistorie veel groter dan nu. We zwierven toen in kleine groepjes over de wereld, op zoek naar knollen en prooidieren. In essentie moest ieder mens voor zichzelf zorgen, „Wie geen intuïtief begrip had voor de aerodynamische en gyroscopische eigenschappen van een speer, stierf vrij snel”, aldus Crabtree.

Maar 10.000 jaar geleden vonden we de landbouw uit en gingen we dicht op elkaar wonen. „Daardoor nam de noodzaak voor intelligentie waarschijnlijk af. In die grotere samenlevingen was veel meer onderlinge hulp, die compenseerde voor fouten en vergissingen van individuen”, zo schrijft Crabtree.

Interessant idee. Maar is het waar?

Nou, het is vooral een grappig idee, meldt desgevraagd de Nederlandse evolutionair geneticus Peter de Knijff (Universiteit Leiden). Hij ziet er niks in. Hem was juist altijd opgevallen dat uit de moderne genetica blijkt dat „wij verbazingwekkend goed functioneren ondanks al die mutaties die in theorie erg schadelijk zouden moeten zijn”. We kunnen wel tegen een stootje, is het oordeel van De Knijff. En hij stelt ook een cruciale tegenvraag: wat is intelligentie eigenlijk?

Die vraag stelt evolutionaire psycholoog Robin Dunbar (Oxford University) ook meteen en nadrukkelijk. „Het hele argument van Crabtree is gebaseerd op de veronderstelling dan wij slim zijn geworden omdat wij technische problemen moesten oplossen, om beter te overleven door betere wapens, betere werktuigen enzovoorts”, meldt Dunbar per e-mail. „Maar bij alle zoogdieren en vogels worden hersenen groter bij toenemende sociale complexiteit. En bij de mens is die sociale wereld in de laatste 10.000 jaar echt niet eenvoudiger geworden. Integendeel waarschijnlijk.” En, voegt Dunbar daar aan toe: „Misschien is het gemiddelde IQ helemaal niet zo belangrijk. In onze geschiedenis zou het wel eens kunnen draaien om toevallige genieën. De rare snuiters die nieuwe technologie uitvinden of de charismatische leiders worden van sociale revoluties.”

Er is inderdaad veel veranderd, benadrukt archeoloog Wil Roebroeks (Universiteit Leiden), vooral door de uitvinding van de landbouw. „De jagers-verzamelaars in de prehistorie moesten met heel eenvoudige technieken zien te overleven, vooral door een extreme goede kennis van de natuur en de omgeving”, vertelt Roebroeks. „Dat hebben wij natuurlijk niet meer.” In de landbouwsamenlevingen werd het echter juist weer „extreem belangrijk om sociale conflicten op te lossen. Daar heb je ook intelligentie voor nodig. Jagers-verzamelaars kunnen bij ruzies gewoon weg trekken, boeren niet.” Het cruciale verschil is dat mensen steeds meer kennis en vaardigheden in netwerken zijn gaan delen, aldus Roebroeks. „Maar maakt ons dat dommer? Ik denk het niet.”