Uitwaaien

Ik had altijd zo mijn gedachten over mensen die ‘lekker gaan uitwaaien’.

Op een verjaardag was ooit een vrouw die het Pieterpad had gelopen. Het regende in haar verhaal drie dagen aan een stuk. Ze zei: „Als je heel lang wandelt, maakt het niet uit wat voor weer het is. Heerlijk.”

Zo lustte ik er nog wel tien.

Als je heel veel drinkt, maakt het ook niet uit wat voor weer het is.

Regen en wind associeerde ik niet meteen met vakantie – ik ging juist graag naar plekken waar het niet waaide – maar vorige week moest ik er dan toch aan geloven. We boekten een ‘uitwaai-arrangement’. Met z’n tweeën een midweek in een huisje op Terschelling, een eiland waar ze pas echt weten hoe ze de middeninkomens geld uit de zak moeten kloppen. ‘Kutweer’ heet daar ‘uitwaaien’ en iedereen heeft er wel een stal of tuinhuis in de aanbieding waar je volop van de elementen kunt genieten.

Het uitwaaien begon al op de veerboot van rederij Doeksen, een maatschappij die haar personeel verplicht om in een uniform met een geborduurde zeehond op de borst te lopen. Het stelletje tegenover ons vouwde een enorme plattegrond open, waar ze een uur lang boven bleven hangen. Alsof ze naar een enorm groot gebied gingen. De gesprekken draaiden om de vraag of ze het eiland ‘rechtsom of linksom gingen nemen’. De man zei ook nog iets wat lang bleef hangen. Hij pakte een krant van een ander tafeltje en zei dat hij die straks ‘lekker onder de jas’ ging stoppen. Hij raadde zijn vrouw aan hetzelfde te doen.

Bij aankomst werd meteen duidelijk dat we het begrip ‘uitwaaien’ letterlijk dienden te nemen. Het maakte niet uit waar we waren op dat eiland – binnen of buiten – uitgewaaid werden we. Sterker, na een paar dagen tegen de wind in fietsen was ik volledig uitgewaaid. En de vriendin was ook nog nooit zo uitgewaaid.

Ik veranderde als mens.

Vanaf de huurfiets hoorde ik mezelf praten over wolkenluchten en de kleuren van de herfst.

We zeiden dingen als:

„Je ziet toch elke keer wat anders.”

„Dan heb je straks toch echt trek.”

„Toch lekker, want je wordt zo sloom van binnen zitten.”

In die stemming maakten we kennis met ‘de eilanders’, een totaal uitgewaaide groep mensen. In het plaatselijke restaurantje bestelde ik ’s avonds het ‘verrassings uitwaaimenu’.

Dat was op dinsdag ‘kip piri-piri op Terschellinger wijze’ en op woensdag ‘shoarma’.

Ik vroeg de serveerster wat shoarma met uitwaaien te maken had.

Het antwoord was dat het lamsshoarma was en dat lammeren op Terschelling de hele dag in de wind stonden. Hetzelfde gold voor de kippen die verwerkt waren in de ‘kip piri-piri op Terschellinger wijze’.

„Eigenlijk is alles hier uitgewaaid.”

Waai weg, denk je dan.