Rotterdam een coole wereldstad? Nu even niet meer

Rotterdam was op weg een creatieve metropool te worden, maar keert door de crisis terug op zijn schreden, stellen Marguerite van den Berg en Willem Schinkel.

Rotterdam is vele steden. Zo luidde de slogan van ‘Rotterdam Culturele Hoofdstad van Europa’, in 2001. Het was een viering van diversiteit en culturele potentie voor de toekomst.

Ruim tien jaar later strijden in Rotterdam twee steden om voorrang: een arbeidersstad en een creatieve world city. Het recente besluit van de Rotterdamse gemeenteraad om debatcentrum De Unie effectief op te heffen, toont dat de arbeidersstad de strijd wint in crisistijd.

Rotterdam voert allang beleid om zichzelf te veranderen. De stad wil afscheid nemen van het industriële verleden, de modernistische stadsplanning en de arbeidersbevolking. De naoorlogse binnenstad voldoet niet meer. In de Stadsvisie voor 2030 kreeg de creatieve world city voorrang. De binnenstad moest een city lounge worden met een levendig uitgaansklimaat en er werd gezocht naar een „evenwichtige bevolkingssamenstelling” met meer hoge en middeninkomens. De gewenste breuk met de arbeidersstad, waar wordt gewerkt in plaats van gelounged, werd expliciet gemaakt. De stad had zich te veel gericht op de gewone man en had te weinig hoogopgeleiden en vermogenden aangetrokken.

Eigenlijk, concludeerde men zonder gêne, had Rotterdam een andere bevolking nodig: studenten moesten na hun studie blijven, de Meent moest de Rotterdamse P.C. Hooftstraat worden en ook voor intellectuelen en kunstenaars werd ruimte gemaakt. Rotterdam wilde mee in de vaart der steden: meer creatieve industrie, meer hoogopgeleide bewoners, meer winkelpubliek en middenklassers in plaats van arbeiders.

Maar nu de crisis het stadsbestuur noopt tot bezuinigen, wint het verhaal van de arbeidersstad weer aan aantrekkingskracht. De stad is plotseling weer van de ‘gewone mensen’ en niet van de high potentials – een tegenstelling die het stadsbestuur zelf maakt. De handen moeten uit de mouwen. Iedereen moet aan het werk, ondanks forse werkloosheid. Ineens put de stad weer uit haar industriële verleden en raakt de toekomst van de stadsvisies op de achtergrond. Juist dan komt het uit om kritiek te weren en het enige serieuze debatcentrum te schrappen.

In deze strijd om twee steden verliest het Rotterdamse publieke debat. De Unie in Debat is sinds 1986 hét Rotterdamse stadspodium. Er is geen plek in Rotterdam waar zo veel breed geprogrammeerde lezingen en debatten georganiseerd worden. De laatste jaren heeft het concurrentie gekregen van debatcentrum Arminius. Dat is goed: een vitale publieke sfeer heeft meer dan één plek voor debat. Toch is Arminius, met twee prominente VVD’ers in haar bestuur, door de ingreep van de gemeenteraad in de cultuursector straks het enige Rotterdamse debatcentrum.

Een belangrijk argument van de gemeenteraad voor Arminius is het gebouw waarin het huist. De Remonstrantse Kerk uit de jaren 1890 wordt geprezen als gebouw met ‘allure’. De Unie huist in een typisch modernistisch pand, met een gevel die een replica is van het in 1925 door Oud ontworpen café-restaurant De Unie, een ontwerp dat ontwerper Rudi Bauer prijst als klassieker in het standaardwerk Design Classics (2006). Juist van dat modernisme wil het Rotterdam van ‘de gewone mensen’ af. De voorkeur van het gemeentebestuur voor het oudere pand is typisch voor het nu weer strategisch ingezette beeld van de arbeidersstad: het premodernistische heeft per definitie ‘allure’.

Vorig jaar hadden De Unie en Arminius ongeveer evenveel bezoekers, maar ongeveer de helft van de bezoekers van Arminius kwam tijdens de Open Monumentendag, voor het gebouw; niet voor debat. Voor het overige fungeerde Arminius voor een belangrijk deel als zaalverhuur voor door anderen – waaronder De Unie in Debat – georganiseerde debatten.

Een politiek die voor één ‘debatfunctie’ in een stad kiest, heeft een weinig verheffende opvatting van de rol van publiek debat in de democratie. Bovendien is De Unie het archief van het Rotterdamse publieke debat van afgelopen decennia. De stad die bij iedere herstructurering herhaalt dat ze met het oorlogsbombardement haar stadshart en geschiedenis verloor, vergeet nu haar geheugen te redden. Nu is er even geen behoefte aan een kritisch debatcentrum.

Rotterdam blijft dus vele steden, maar het is jammer dat de politiek ze zo moeilijk weet te verenigen. In de creatieve wereldstad is er voorrang voor kunstzinnige huurders, een literatuurfestival dat ‘Geen daden maar woorden’ heet en een serieus debatcentrum. In de arbeidersstad stropen we de mouwen op, gaan daden boven woorden en gaat de taal van de ‘gewone Rotterdammer’ boven debat. In de arbeidersstad rijdt de Formule 1 in het centrum en is de stad met het schrappen van debatsubsidie voor De Unie ‘weer veilig’ voor Jan Klaassens volkstheater, aldus Leefbaar Rotterdam – ‘veiligheid prioriteit’ – in de gemeenteraad.

Dit ad hoc ingrijpen mengt politiek met cultuur. Dat leidt tot onbetrouwbaar beleid, dat niet in staat is de arbeidersstad en de creatieve world city te verenigen. Publiek debat is niet zomaar een ‘cultuurfunctie’, maar een cruciaal kenmerk van een vitale democratie. Een plaats waar kritische debatten over de stad en haar politiek worden gevoerd, is van belang voor alle Rotterdammers, ook al zitten ze niet allemaal in de zaal.

Marguerite van den Berg is Rotterdams sociologe aan de Universiteit van Amsterdam. Willem Schinkel is socioloog aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij was lid van de Commissie Debat, die de gemeente adviseerde over het Cultuurplan.