Massastart

Het was weer zover. Er kwam een lang weekend schaatsen op televisie, met Heerenveen als zogenaamd middelpunt van de wereld. Was ik de enige die er tegenop zag?

De schaatssport is in rap tempo sleets geraakt. De versnelling op alle vlakken in ons leven dwingt de sport af te stappen van zijn slome imago, met name op de lange afstanden. Van melancholie is nog nooit iemand harder gaan rijden.

Het schaatspubliek is vergrijsd. Ze kijken naar Sven Kramer en Kjeld Nuis maar dromen nog van Ard en Keessie. Ze duizelen als verslaggever Frank Snoeks de rondetijd in honderdsten doorgeeft en denken terug aan handgeklokte records op een natuurijsbaan.

Tijdens de wereldbekerwedstrijden in Friesland werd onder de ritten muziek opgezet. Popliedjes gingen de strijd aan met de dweilorkesten die jarenlang het alleenrecht hadden op en rond de ijsbaan.

Rihanna’s Diamonds versus Een potje met vet.

Er werd heel behoorlijk geschaatst, maar zo’n driedaags toernooi bleef toch een aanslag op je tijd. De tv-praatjes achteraf waren zo sloom als stroop in de winter. Ik struinde de rode schaatskoppen boven de microfoon af, hopend op een afwijkende blik, een rare uitspraak.

Een giechel, een rondje hoog, een rondje laag; daar bleef het bij.

Even veerde ik op toen Sven Kramer door een zwiepende schaats van Koen Verweij in het onderbeen werd geraakt. De kampioen verdween onmiddellijk van de baan. Einde carrière, een amputatie? Al snel kwam Kramer vertellen dat het niet veel voorstelde. Bij het scheren van je kin kon je zwaarder getroffen worden.

Vergeefse opwinding om niets.

Sloom gemaakt door het schaatsen, wilde ik de televisie uitzetten. Tot ik wakker werd gekieteld door een aankondiging dat de mass-start – ook wel massastart genoemd – aanstaande was.

Massa, dat woord stond haaks op de solistische schaatssport. Massatoerisme, massabijeenkomst, massagraf, massamedia, massaproductie. Ja, inderdaad. Waarom eigenlijk geen massastart?

Op de baan verscheen een peloton aan schaatsers. Ze stonden op een kluitje te wachten voor de lijn. Ze moesten twintig ronden rijden en degene die het eerst over de finish kwam mocht zich winnaar noemen. Er waren ook nog tussensprints maar die konden je hooguit aan de tweede plek helpen.

Al na één ronde nam een Pool de benen. De anderen keken om zich heen. Wie ging achter die onbekende Pool aan? Voorlopig niemand.

De spanning nam toe. Er werd gepraat, gescholden, gewezen. Het publiek greep vertwijfeld naar het hoofd. Ik keek naar verstoppertje voor volwassen schaatsers. Langzaam ging het tempo omhoog. De Pool werd ingehaald. De Nederlander Jorrit Bergsma ontsnapte uit het peloton.

Het was of ik een spelletje speelde op mijn iPad, steeds op een sneller niveau. De twintig ronden vlogen voorbij en ik verveelde me geen minuut. Op het moment dat Bergsma werd ingelopen, stoven er twee landgenoten weg. De rest moest er achteraan. Aan de finish hielden de twee Nederlanders nog een halve meter over.

Een schaatsduel over tien kilometer tussen twee solisten leek opeens een achterhaald, middeleeuws idee. Het ‘ik-tijdperk’ was ook in het schaatsen op zijn retour. Het ging om de massa. Om events. Om mass-skating.

De hervormers van de schaatssport dachten weer helder licht op de kunstijsbaan te zien vallen.