Longread: tweede Boudewijn Büchlezing van Adriaan van Dis

Afgelopen zaterdag gaf schrijver en documentairemaker Adriaan van Dis in Wassenaar de tweede Boudewijn Büchlezing, een hommage aan de jonge man die Van Dis in 1970 via een gezamenlijke vriend leerde kennen. Speciaal voor de boekenblog van NRC Boeken herzag Van Dis zijn lezing, streek hij die stilistisch glad en gaf toestemming de lezing op onze boekenblog te publiceren.

Van Dis hield zijn lezing in Raadhuis De Pauw in Wassenaar in aanwezigheid van grofweg tachtig mensen waaronder televisiemaker Frits Barend en diens vrouw neerlandica Marijke Barend-Van Haeften, televisiemaker Paul Witteman, fotograaf Klaas Koppe, oud-Büch redactrice Erica Reijmerink en emeritus hoogleraar Henk Wesselink. Allemaal oude bekenden en oude vrienden van de beroemde, in Wassenaar opgegroeide en in 2002 in Amsterdam overleden, bibliofiel.

Van Dis hield zijn lezing in de hoop de aanwezigen ertoe te bewegen geld te doneren aan het Büch biografieproject waar historica Eva Rovers inmiddels een jaar mee bezig is. Die biografie moet in 2016 verschijnen.

De lezing van Van Dis is hieronder in zijn geheel terug te lezen.

 

Tweede Boudewijn Büchlezing door Adriaan van Dis

Boudewijn Büch was bibliofiel, popfanaat en reiziger. Van de eerste twee dingen weet ik niet veel. Boudewijn de reiziger staat me naderbij. Daar wil ik bij stil staan. En verder zal ik het lekker veel over mijzelf hebben, zoals Boudewijn ook zo graag deed. Zo blijf ik dicht bij zijn stijl.

Herinneringen ophalen aan een gerenommeerde dode blijft een riskante zaak. Voor je het weet trap je in de val die Annie M.G. Schmidt zo mooi in een versje verwoordde.

Het feit dat ik de dichter Piet persoonlijk ken,

en zelfs een broodje met hem heb gegeten,

maakt dat ik iets heel persoonlijks ben,

dat moet nu ieder maar eens weten.

Oppassen dus.

Boudewijn en ik hebben elkaar goed gekend. En beslist meer dan een broodje met elkaar gegeten. We ontmoette elkaar in 1970 op de zolderkamer van een gemeenschappelijke vriend, Peter van Zonneveld. De latere Neerlandicus schets zijn vriend in een nog te verschijnen Levensbericht voor de Maatschappij der Letterkunde. (Ik mocht dat even inzien.) Van Zonneveld staat ook stil bij ons eerste ontmoeting: “Niemand had nog van hen beiden gehoord. Met verbazing sloeg ik de confrontatie van twee diva’s gade, die met opgestoken veren van zich afbeten. Later is dat wel goed gekomen en vierden ze samen hun verjaardag rond 15 december.”

Dankzij van Zonneveld leerde ik een andere Boudewijn kennen dan de Büch uit de egodocumenten en televisieprogramma’s.  Wij wisten dat Boudewijn van het lyceum was gestuurd, de MULO had afgemaakt en een avond opleiding MO- Nederlands nooit had afgemaakt. Hij scharrelde wat in boeken en liep colleges  als toehoorder.  Aan roem deden we toen nog niet, hoezeer we er heimelijk ook naar hunkerden.  Boudewijn had een grote naam in kleine kring. Hij was een geweldige verteller en een enige, gulle man. Hij maakte alles groter, mooier, dramatischer en droeviger. Ooit liepen we samen eens een stukje met elkaar op door een druilerige Kalverstraat, na sluitingsdag. De volgende dag, op een avondje onder vrienden, hoorde ik na een glas of wat een verslag van onze wandeling door de Kalverstraat. Boudewijn veranderde het weer, de tijd, maar ook decor en personages. We waren samen getuige geweest van een handgemeen en Boudewijn had hoogst persoonlijk ingegrepen… Ook mij werd een rol toebedeeld, maar wel een die Boudje nog groter kon maken. Ik luisterde met open mond. En genoot! Het had geen zin hem te corrigeren. Boudewijn maakte van alles een verhaal. Van zichzelf en van alle levens op zijn pad. Waarheid was een burgerlijk begrip.

Wij wisten hoe fake het briefpapier was waarin hij zich presenteerde als dubbel doctorandus (in filosofie en Duitse letterkunde) en psychofarmaco-historicus verbonden aan de universiteit van Utrecht. Het was een geweldige mop, al waren er heel wat sukkels die het geloofden. Een zomertje in een kinderrusthuis in Brabant was genoeg voor een jaar Dolhuis én een dramatische roman. Als Boudewijn het al te bont maakte en je zei er wat van, was hij de eerste om hard om zichzelf te lachen. Al werd het met de jaren minder. Hoe bekender hij werd, des te groter groeiden de leugens. En daarmee de ernst van zijn verhalen. Misschien ook dwong al die journalistieke aandacht hem te beamen dat het allemaal waar was wat hij in zijn romans verzon. ‘Is het echt waar dat…. Ben je werkelijk… Is het autobiografisch?’ ‘Ja, ja!’, riep Boudewijn - altijd bereid om te pleasen. Op den duur kon hij niet meer terug. En zo sloot hij zich op in verzinsels, waar oude getuigen uit zijn leven niet meer bij pasten. Hij vermeed ze steeds meer. En de eenzaamheid  nam toe.

Boudewijn beriep zich graag op zijn Joodse achtergrond. Hij schreef en vertelde over een getraumatiseerde vader – zijn vader - en vooral ook over de schaamte van zijn moeder voor het Jood zijn van haar man. De naoorlogse familie Büch zou zijn ondergedoken in het katholicisme.

Boudewijn doorbrak die schaamte in zijn romans, hij wilde het verhaal van discriminatie en lijden doorvertellen. Ik geloofde dat, of beter ik wilde het geloven, omdat ik het herkende. Ik was opgegroeid met de schaamte van Indische Nederlanders in een repatrianten huis, mensen die geen gehoor vonden voor hun ervaringen in Japanse interneringskampen. Mijn vader ontkende zijn Japanse internering, de dwangarbeid, de torpedering van de Yunjo Maru, een schip vol krijgsgevangenen en contractarbeiders op weg naar de Pakan Baroe spoorlijn op Sumatra (sterfte percentage 40 %). Van de 5600 opvarenden op de Yunjo Maru overleefden nog geen 600 man. En hoe? Niet door een in zee verworven plankje met een ander te delen, maar door die andere drenkeling van je af te trappen. Mijn vader was een schuldige overlever.  Na de oorlog, als werkeloos wrak in Nederland, ontkende hij zijn kleur. Zijn Javaanse bloed veranderde in eens in Italiaans bloed – om beter in de smaak te vallen in zijn onbekende moederland. (Ja, mijn vader kon ook heel goed liegen. En ik was zijn vlijtige leerling.)

Waarom zou ik Boudewijn dan afvallen? We herkennen de fouten van anderen omdat we ze zelf zo graag maken. (De la Rochefoucault, geloof ik). Nu weten we dat Boudewijns Joodse achtergrond verzonnen is. Het verbaast me achteraf niet. Zoveel in Boudewijns publieke leven blijkt verzonnen.  Maar er blijft genoeg over om van hem te houden en te bewonderen. De biograaf moet het allemaal maar eens uitzoeken.

Boudewijn en ik wilden allebei bij de oorlog horen. Dat schiep een band. Leugens of niet, onze verbondenheid was oprecht. We hadden in onze boeken allebei vaders gecreëerd die hun zonen vermorzelden. Vaders die hoe dan ook door de tweede wereldoorlog waren gevormd en die hun zonen sloegen om ze te harden voor een onrechtvaardige wereld. Maar ook vaders die van ons hielden. Aaiers en meppers waren het. Vaders die dwingend aanwezig waren en je zomaar in de steek lieten. Wankele liefde voor een kind.

Boudewijns vader verliet het huis door een scheiding, de mijne door een vroege dood. Ik was tien toen mijn vader stierf. We waren schrijvers en wisten dat we die vaders groter moesten maken dan de werkelijkheid. De waarheid moest je liegen.

Voor deze gelegenheid ben ik weer eens zijn werk gaan lezen, met een andere bril dan toen. Wat me trof was het spel met namen en afkomst van zijn hoofdpersonen. Een spel dat hij nadrukkelijk aan de waarheid verbond: Hij zegt het zelf expliciet in de voorstudie op Een kleine blonde dood uit 1982: “Dood geeft namen en gebeurtenissen zoals ze in de werkelijkheid luidden en waren.” Boudewijn zou als kind Lothar Mantoua hebben geheten – de achternaam van zijn Joodse vader. Zoals ik tot mijn achttiende Mulder heette, de achter naam van mijn Indische vader (die door oorlogsomstandigheden niet met mijn moeder kon trouwen). Ook dat verhaal van Boudewijn wilde ik geloven. Het deed er niet toe dat het wel of niet waar was. We waren jongens met verwarrende identiteiten en daar speelden we een literair spel mee. Dat was waarheid.

Wat me bij herlezing nog sterker trof, is de eenzaamheid van Boudewijns literaire alter ego’s: onbegrepen door ouders, broers en  leraren. Onbegrepen minnaars in zijn gedichten. En telkens zoekt hij troost in de duinen. Alleen. We deelden dus behalve een vriend, ook een landschap. Dat wisten we van elkaar, maar nu las ik het nog eens zwart op wit.

Boudewijn verkende als kind de Wassenaarse duinen. Ik de duinen rond Bergen aan Zee. We beschrijven allebei hoe we troost vonden in verlaten pannen en verstoven vlakten. Alleen. Gevlucht voor de waanzin van school en thuis. ‘Elke dag het duin in,’ schreef Boudewijn later in De Hel.

Misschien maakten de duinen wel reizigers van ons, fantaseer ik nu: ontdekkingsreizigers.  Het landschap van onze jeugd lag elke dag onbetreden voor ons open. Zelfs in een drukke zomer kon je als eerste je voet op een door de wind leeg geveegd duin zetten, of op een door zee en regen schoongewassen strand. Een voetspoor nalaten. Als enige, de sensatie een Robinson Crusoe te zijn… Daar spraken we meermalen over. Jutten op het strand. Coloradokevers bijeenharken, een kwartje de emmer en inleveren bij de Rijkspolitie; dat was ons beider bijdrage in de strijd tegen vreemd ongedierte dat onze nationale aardappeloogst bedreigde. Een aangespoelde kokosnoot in je hand wegen. Een kistje uit Hongkong (met rode Chinese karakters) mee naar huis slepen.

In onze jeugd liep er nog wel eens een schip vast op een zandbank. Of brak er een in tweeën. Wandelen langs de vloedlijn was een reis. De vondsten maakten onze wereld groter. Alleen op het strand en van reizen dromen…dat deelden we.

Geen idee waar Boudewijns verlangen om te reizen vandaan komt. Om niet thuis te hoeven zijn? Om in een verhaal te kunnen stappen, zonder getuigen?  Of om dramatisch eenzaam te zijn? Mooi werk voor een biograaf om uit te pluizen.

Voor zover ik mijzelf heb durven analyseren is mijn reislust in dat repatrianten huis aan de kust ontstaan. Aan rijsttafels met gepeperde verhalen. Ik groeide op tussen mensen die een halve wereldreis achter de rug hadden, ze kenden de sensatie van lauwe zonsondergangen, van een binnen baai en een buiten baai. Ze hadden in prauwen gevaren, liefst tussen de krokodillen. Mijn moeder had paradijsvogels zien vliegen en Papoeaas op hun peniskokers horen tokkelen. En als de verhalen niet te stelpen waren, opende mijn vader het deksel van de hutkoffer.

Ik schreef daar later nog een gedicht over:

Stevig op slot was de koffer

koperen lip in brede mond

en daarboven fronste

wit en druipend

over ruw linnen sluipend

vaders naam

 

drijf geen spot met zijn koffer

zo joeg je papa op de kast

onder het lid de albums

vergeelde daden

achter spinnenwebbladen

bijna vergaan

 

klonk een schot als de koffer

op zondag openging

en de oorlogsmensen maar lachen

om vrouwen met decolletés

rijk waren ze vroeger geweest

heel voornaam

 

kom krab het rag van de foto’s

spel de jaren in witte inkt

en betreed de sepia tuinen

door weer en duimen verminkt

waar  komen die mensen vandaan?

 

uit een oceaan van hoge grassen

vrouwen een kop groter dan halmen

 

wandel onder de palmen.  Straffeloos 

 

Die laatste zin is een verwijzing naar Goethe: Es wandelt niemand ungestraft unter Palmen (Wahlverwandschaften). Boudewijn en ik hadden hetzelfde Goethe citatenboek.

Hoe kon ik als jongste kind tussen repatrianten ooit tegen die ervaringen op? Tegen een oorlog in de Pacific, hun vernederingen. Hun kleur.  Wat een helden… en toch werden ze in Nederland niet helemaal voor vol aangezien. Velen hadden hun status verloren in dat nieuwe land. Van trotste mensen waren het ineens bange mensen geworden: mond dicht en nooit klagen, dankbaar voor de plaats die hen in het nieuwe land was gegund.

Hun verborgen trots lag in de reizen die ze hadden gemaakt. Van eiland naar eiland. Mijn moeder woonde met haar eerste echtgenoot – een nagenoeg inlandse KNIL officier - op de verste buitenposten. Alleen in die herinneringen vond ze nog iets als geluk… en in het oproepen van de geuren aan tafel. Hoe het rook na en bandjir – een stortregen. Ik kon die mensen maar op een manier evenaren, door later ook te gaan reizen. Verder dan zij. Tot aan de laatste bladzij van mijn  King atlas.

Boudewijn moet dat plan ook al vroeg hebben opgevat.  Hij laat zijn Winkler in Het Dolhuis “alle landen en volkeren van de wereld (met getallen en tabellen)” optekenen: in een schrift met een gemarmerd kaft. Ik hield als kind ook een schrift bij. Mijn alter ego  Zilver noteert zijn ‘Eerste keren’ in een ruitjesschrift. Elke eerste keer is voor hem een ontdekkingsreis. En de jongeman wil vooral naar het eiland van Long John Silver afreizen, naar Schateiland.

De King Atlas figureert in ons beider werk. Je kon zo’n atlas alleen bemachtigen na het uitknippen en opsturen van de nodige ovale portretjes van een gebrilde man die op de pepermuntwikkels prijkte. (De in het echt bestaande Dr. P.F. Hamel Roos, bewaker van de kwaliteit van de pepermunt van de firma Tonnema te Sneek.) Ik hield helemaal niet van pepermunt. Maar voor een eigen atlas slikte je alles.

Wij vluchtten als jongens in een op schaal getekende wereld. Ik sliep zelfs in de gloed van een globe, want ik kreeg op mijn tiende verjaardag een wereldbol als schemerlamp. Zo leerde ik de contouren van het Indië van mij ouders kennen. Maar die reis leek me zelfs in mijn dromen te ver. Ik durfde toen helemaal niet onder de palmen te lopen. Ik hoorde niet bij Indië. Totok, die ik was.  oor Indië moest je in een kamp hebben gezeten. De kampliedjes kennen… wel dat laatste lukte nog. (Jappen hier jappen daar, vele jappen zonder haar.)  Maar ik sprak geen Petjoh, het indo-dialect waarin aan tafel zoveel grapjes werden gemaakt. Ik kon wel enkele regels van de Sinterklaas liedjes meezingen: Zie gids kom die kapal uit Spanje hij al! Kapal is boot, ja. Alleen de laatste regel begreep ik echt. Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is adoe!

Petjôh was de taal waarin grapjes werden gemaakt over gebrekkig Nederlands pratende ‘inlanders’. Maar het was vooral ook een taal van heimwee naar Indië. Tjalie Robinson, de leidsman voor veel Indische Nederlander na de oorlog, publiceerde in zijn blad Tong Tong met regelmaat verhaaltje in het petjoh en om de zoveel tijd kwam er een grappenboek met bijdragen van lezers. Je- lah- je- kripoet. Je-lah- je- rot, gingen in ons repatriantenhuis van hand tot hand.

Nee, Indië was voor mij onbereikbaarder dan een fictief Schateiland.      

Ook Boudewijn zocht naar eilanden op de kaart. In zijn inleiding tot Eilanden schrijft hij: ‘Zoals een eiland op de kaart is: een klein zwart puntje op een immens blauw vlak, zo dacht ik tijdens mijn jeugd dat eenzaamheid zou zijn.’  (…) ‘Toen ik nog een jongen was keek ik zo lang naar zo’n puntje totdat ik er woonde.’

Eenzaamheid als een eiland.

Toen hij zijn verhalen over Eilanden in de Volkskrant publiceerde, wisselden we wel eens reis ervaringen uit. Maar daar stopten we al gauw mee. Gaf veel te veel wrijving. Ik was toen net op Mauritius geweest. Boudewijn deelde mijn enthousiasme zozeer dat hij beweerde er ook geweest te zijn, terwijl die serie toch vooral uit theoretische verkenningen bestond. Maar hadden we het dan over het zelfde eiland? Boudewijn wist alles over de uitgestorven Dodo en ik gaf kleurrijke beschrijvingen over de multiraciale bevolking die zichtbare sporen droeg van koloniale overheersing, gedwongen verplaatsing en contractarbeid. Maar we konden geen terras, dorp of streek met elkaar delen.

Misschien waren we inderdaad twee diva’s die elkaar probeerden af te troeven. Elk boek moest als eerste gelezen zijn. Elke schrijver als eerste ontdekt. Liefst in eerste druk in de kast. Elke tentoonstelling werd als eerste gezien. En nou speelden we ook al landjepik.

En we hadden ook nog eens patent op de beste manier van reizen. Heel vermoeiend allemaal.

We konden kennelijk niet toegeven dat we twee verschillende reizigers waren en dat het huis van de literatuur groot genoeg is om twee verschillende opvattingen te herbergen.

Boudewijn verzamelde feiten, wetenswaardigheden, dagboekaantekeningen van eerdere reizigers, zeldzame dieren, graven, bibliotheken… Het eiland als rariteitenkabinet. Dat heeft kostelijke reportages en boeken opgeleverd.

Ik schrijf over mensen die ik onderweg had ontmoet. Misschien klinkt dat te nobel. Nog eens: ik schrijf over een reizende ik een bevolkt decor. Een ik, die, als het mij uitkomt, trekken van mijzelf heeft. Maar het bevolkte decor is interessanter.

Zuid Afrika werd zo’n decor. Door de taal te leren en de literatuur te lezen, betrad ik een wereld van vooroordelen en kleur gevoeligheid, maar ook een wereld van bastaarden op zoek naar zuiverheid. Zuid-Afrika werd mijn Indië en niemand die zei: ‘je hoort er niet bij, je hebt nog nooit onder de palmen gelopen.’

Jaren koesterde ik het plan alle landen van Afrika te bezoeken. Minstens 54. Later ontdekte ik dat Afrika dichter bij huis lag, in Parijs, de grootste Afrikaanse stad buiten Afrika. Ik ging zelfs in Parijs wonen.

Als schrijver heb ik het fysieke reizen echter steeds minder nodig. Ik ben nog even nieuwsgierig, maar een verzonnen land brengt me uiteindelijk dichter bij mijn doel: het beschrijven van de levens van mijn medereizigers. Zo trek ik nu door een niet bestaand Sumatra, het ligt opengevouwen naast mijn schrijftafel, ik wandel daar in een door mij niet beleefde tijd en komt zo veel dichter bij mijn dode moeder uit.  Een moeder die in mijn geschriften ook in niks lijkt op wie ze werkelijk was. Ik lieg haar levend.

In die zin kom ik ook steeds dichter bij Boudewijn Büch uit die in Eilanden bekent liever landkaarten te lezen dan werkelijk op reis te gaan. Gedroomde aardrijkskunde, noemde hij het. De mooiste reis was voor hem de kopreis. En gelijk had hij.

Adriaan van Dis