De verhalenverteller

Marcel Chauvin. Foto Paul Peyre Marcel Chauvin. Foto Paul Peyre

Marcel Chauvin overleed vijftien jaar geleden, hij was de laatste verhalenverteller van Malaucène. Zijn verhalen leerde hij ooit van zijn buurman. Hij vertelde ze in de winter, wanneer er weinig werk was op het land en het vroeg donker werd. Volgens een vaste formule, en altijd eindigend met zijn handtekening: “Rin Pin Pin, Peau de boudin, Voici la fin.”

Elk dorp had vroeger zo’n verhalenverteller. Een van de boeren, niet iemand die het tot zijn beroep had gemaakt. Verhalenvertellers reisden niet veel. En dus kenden ze hun omgeving heel goed. De natuur en de aard van de mensen. Sommige ingrediënten berustten op werkelijkheid, andere waren overtrokken en berust op fantasie. Voor de mensen die luisterden deed het er niet toe wat in die verhalen echt was of niet.

Over de hele wereld lijken de verhalen die verhalenvertellers vertelden veel op elkaar. Verhalen die in Afrika verteld werden kun je ook hier aantreffen, en andersom. Zoals het verhaal dat Paul Peyre opnam op een middag begin jaren zeventig, op een toentertijd ongetwijfeld supermoderne taperecorder. Door Marcel Chauvin verteld aan een groep leerlingen Provençaals, die Paul Peyre die middag naar Marcel Chauvin had meegnomen. Let vooral ook even op de lachende vrouw op de achtergrond, dat is Marcel’s vrouw. Die alle verhalen net zo goed kent als Marcel en af en toe even bijspringt, als Marcel de draad is kwijtegeraakt.

Uhum uhum! Mag ik u aandacht voor Marcel Chauvin met ‘Le Conte de Jean’:

En ja ja, aangezien ik snap dat de meeste van jullie net als ik waarschijnlijk geen Provençaals spreken, hieronder een kleine vertaling (naar het Frans door Paul Peyre en uit het Frans naar het Nederlands door mij):

“Ach ja, hier waren er twee mensen die hadden een zoon en die noemden ze Jean. Hij was niet de slimste, maar goed, hij was nog jong. Hij kon er niet meer van maken.

Dus ja, in dit seizoen en in de maand oktober, willen de geiten een bok (er zijn van die gevallen en die willen het het hele jaar door, maar geiten willen het in de maand oktober). Jean bracht een geit naar de bok, maar in plaats van haar op de kont te slaan, zoals men doet wanneer de geit niet vooruit wil, gaf hij haar een duw of bedreigde hij haar. Nou, dus toen hij aankwam, zei hij tegen zijn moeder: “Deze geit maakte me gek! Ze wilde niet vooruit!” – “Maar,” zegt ze, “wat heb je gedaan om haar te laten bewegen?” – “Nou,” zegt hij, “ik duwde haar, of ik bedreigde haar.” – “Beest! Als je een stok had genomen en haar een paar goeie klappen op de kont had gegeven, was ze heel snel gegaan.”

Dus, nadat de jongen aankwam ging zijn moeder de luiers wassen van de zus van deze jongen, die daar in haar wiegje lag (jullie weten dat als je kinderen hebt, je voortdurend dingen moet wassen). “Je beschermt haar tegen vliegen he,” zei ze, “je zusje! En zoals het hoort!” Nou, bij God, er kwam er een (in deze tijden, hielden mensen hun kinderen niet heel schoon; vaak roken ze een beetje naar zure melk; dat trok de vliegen aan). De vlieg plaatste zichzelf op het voorhoofd van de kleine. De jongen pakte een stok, en PAN! Een klap op het hoofd. Heilige naam der namen! Nee, dit kleine meisje voelde ze niet meer, de vliegen. “Maar!” riep zijn moeder, “wat heb je gedaan?!” “Ai! Ai! Ik hem verpletterd, de vlieg.” En het zusje was dood.

Dus, deze vrouw had het hard nodig om te naaien. Naalden had ze niet meer, nee, naalden had ze niet meer. Dus zei ze hem: “Ga naar de Tardieu en haal er daar twee voor me.” Nog steeds te voet, natuurlijk. Hij vindt twee naalden, daar beneden, en weer omhoog klimmend, ongeveer in de buurt van Tussac, daar zo, voelt hij een maagpijn opkomen. “Au! Au!” zegt hij, “ik zie al wat je hebt. Waar moet ik heen?” Dus kruipt hij achter een hooiberg, de twee naalden nog steeds in de hand; wat daarmee te doen? Hij plant ze in de hooiberg, de hooiberg van Tussac (hij was mooi deze hooiberg van Tussac, misschien wel twintig meter hoog). Wanneer hij klaar is, doet hij zijn onderbroek weer omhoog en gaat op zoek naar de naalden. Maar in deze hooiberg, eh! Nee, daar vindt hij ze niet, bij God! “Wacht!” zegt hij, “er is een manier. Door het in brand te steken, dan haal je de as door een zeef en dan vind je ze wel.” Hij steekt de hooiberg in brand en gaat naar Tussac en zegt: “Als je me even een zeef zou kunnen lenen om de as doorheen te halen, want ik ben twee naalden kwijtgeraakt.” Dus, hij zeefde alles. Maar zelfs wanneer hij alles gezeefd heeft, heeft hij nog steeds zijn naalden niet gevonden.

Dus, niet al te gelukkig komt hij weer thuis. Zijn moeder zegt hem: “Wat heb je nu weer?” –“Eh!” zegt hij. “Ik ben mijn naalden verloren.” “Imbeciel!” zegt zij. “Die steek je hier, naast deze zak, in je vest. Dan weet je tenminste,” zegt ze, “waar ze zijn.”

-“Ach ja,” zegt hij, “goed! De volgende keer…”

Dus, zijn vader ploegde. En de volgende dag brak hij de ploegschaar. Hij bleef ongetwijfeld haken in een steen, of misschien in een wortel, nou ja.. (dit gebeurde vaak en gebeurt nog steeds). Dus zegt hij hem: “Pak aan, ga naar Malaucène, naar Bruno. Laat deze ploegschaar voor me repareren en laat hem voor me scherpen.” Bruno regelt het meteen. De jongen vertrekt weer, met de ploegschaar. En hij steekt hem door zijn jaszak, bij God! De ploeg weegt misschien wel zeven kilo. Goed scherp. En PATATRAS, zijn vest scheurt af. Dus, bij aankomst, ach! Wederom hetzelfde theater, bij God. Zijn moeder weer boos. En ze zegt hem: “ Imbeciel, hoe is het mogelijk?” En hij antwoordt: “Hoe moest ik hem dan dragen?” –“Eh,” zegt ze, “je moest hem dragen op je schouder.” –“Ah! Ah! Goed,” zegt hij, “de volgende keer doe ik het zo, goed!”

Dus, zijn vader had een varken gekocht in Rognon, daar zo. En hij zei hem: “Ga dat varken eens halen, want je maakt ons niks dan gekkigheid.” En dus gaat hij naar het varken, en ja, bij God, hij zette het varken op zijn schouder. Hij nam het voor een ploegschaar! Hij zette het op zijn schouder, maar ja, dit varken dat verveelde zich… Plotseling nam hij het in zijn hoofd om het oor op te eten, van de jongen, en hij at alles (ik weet niet welk oor het was, deze of deze, maar goed..) De jongen was niet gelukkig, ach! Helemaal onder het bloed. En ze zeiden hem: “Wat heb je nu weer gedaan?” En hij antwoordt: “Het was het varken dat mijn oor opat.” “Imbiciel!” zegt zij. “je moet hem meenemen aan een touw.” -“Aha!” zegt hij. “Aha! Goed, de volgende keer zal ik dat doen, goed!”

Goed, de volgende dag, stuurden ze hem naar Roland om een ketel op te halen waar ze de bodem van hadden laten vervangen of misschien hadden ze er een stukje aan laten zetten. En dus! Ging hij, met zijn touw! Hij knoopt het vast aan het oor en trekt het voort. Van Malaucène tot Alazards is het bijna zeven kilometer. En de route is nog niet geasfalteerd. Hij komt hier aan, de arme! Het was nog enkel een cirkel, er was geen bodem meer. En o, zegt zijn moeder hem wat!

De volgende dag, de weg opgaand met zijn kar, hier in de buurt, ontmoette hij mensen met een hond aan de lijn. Ze waren heel tevreden, ach! Hij vroeg hen: “Maar waar gaan jullie naar toe?” –Oh!” zeiden ze, “deze teef is goed voor niks.” Ze noemden haar Souire. Ze zeiden hem: “We gaan haar verdrinken, die Souire.” Ze gingen haar verdrinken onder de brug van de Granges, waar een water gat is, daar (tegenwoordig zwemt daar forel, misschien eten zij wel die Souire). En ze zeiden: “We gaan haar verdrinken, die Souire.” Dus terwijl hij zijn weg vervolgt, blijft hij herhalen: “We gaan haar verdrinken, die Souire. We gaan haar verdrinken, die Souire.” En zo komt hij langs een bruiloft. En de pas gehuwden, die horen dat hij zo praat, berispen hem. Ze zeggen hem: “Je moet zeggen: dat ze nog lang samen mogen blijven.” Dus zo vervolgt hij zijn weg: “Dat ze nog lang samen mogen blijven! Dat ze nog lang samen mogen blijven!” Dan plotseling ziet hij iemand die is omgekieperd (ik weet niet meer in welke omgeving, dat herinner ik me niet meer) Te laat, en dus haken hun karren zich in elkaar. En het lukt ze niet ze uit elkaar te halen. Dus wanneer de jongen zegt: “Dat ze nog lang samen mogen blijven!” kan de ander er gewoon niks aan doen; de woede nam hem over, hij nam zijn dolk, stak hem in de rug en stak de jongen dood.

Rin Pin Pin
Peau de boudin
Voici la fin

En terwijl jullie luisterden naar Marcel, beklommen wij de Mont Ventoux.

Eerst nog even in de zon. Foto NRC / Raoul de Jong

Eerst nog even in de zon. Foto NRC / Raoul de JongEerst nog even in de zon. Foto NRC / Raoul de Jong

Tot we een wolk inliepen. Foto NRC / Raoul de Jong

Tot we een wolk inliepen. Foto NRC / Raoul de JongTot we een wolk inliepen. Foto NRC / Raoul de Jong

En het allemaal zo mistig werd.. Foto NRC / Raoul de Jong

En het allemaal zo mistig werd.. Foto NRC / Raoul de JongEn het allemaal zo mistig werd.. Foto NRC / Raoul de Jong

Dat het even duurde voor we begrepen... Foto NRC / Raoul de Jong

Dat het even duurde voor we begrepen… Foto NRC / Raoul de JongDat het even duurde voor we begrepen… Foto NRC / Raoul de Jong

...dat we de top hadden bereikt. En toch was dat zo. Hoor. Foto NRC / Raoul de Jong

…dat we de top hadden bereikt. En toch was dat zo. Hoor. Foto NRC / Raoul de Jong…dat we de top hadden bereikt. En toch was dat zo. Hoor. Foto NRC / Raoul de Jong

Raoul kreeg voor zijn tocht van de ANWB Human Nature travel gear, een rugzak en een jack van The North Face en een iPad van Mangrove.