Brits vaarwel aan Unie komt in zicht

Het Verenigd Koninkrijk drijft door de crisis snel verder af van de EU. Uittreding is een reëel scenario. De eurotop deze week over de meerjarenbegroting kan de opmaat vormen voor de ‘Brixit’.

‘Ik ben bereid mijn vetorecht te gebruiken als we geen akkoord kunnen krijgen dat goed is voor het Verenigd Koninkrijk.” En dat is op „zijn best” een verlaging van de Britse bijdrage aan de begroting van de Europese Unie. En „op zijn slechtst” een bevriezing. Een verhoging van de EU-budget is „belachelijk”.

De handtas ontbreekt. Maar de toon van de Britse premier David Cameron in de aanloop naar de top van deze week over de Europese meerjarenbegroting heeft veel weg van Margaret Thatchers beroemde „We are simply asking to have our own money back”, uit 1984. Zijn harde lijn mag dan irritatie wekken op het continent, in eigen land krijgt de premier bijval. In peilingen zegt bijna de helft van de Britten te hopen dat hun land zich uit de EU terugtrekt – een ‘Brixit’.

Een veto zal in het Verenigd Koninkrijk worden gevierd als een nieuwe stap in die richting. Net als Camerons recente houding in de eurocrisis: de eurolanden wél aanmoedigen tot verdere integratie – dat is noodzakelijk om de euro te redden en goed voor de Britse economie – maar ondertussen, zoals het in Londen heet, de eigen relatie met de EU „heroverwegen”.

Het past in de paradoxale relatie die de Britten al sinds de Tweede Wereldoorlog met het continent hebben: enerzijds vinden ze dat Europa gebaat is bij eenheid, anderzijds willen ze daar zelf eigenlijk geen deel van uitmaken.

Pas in 1973 werden de Britten lid van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), daartoe verleid door de pro-Europese premier Edward Heath. Hij zag dat de geopolitieke verhoudingen veranderden en dat de zes EEG-landen in tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk wél economisch bloeiden. De overdracht van soevereiniteit gebeurde schoorvoetend.

Deze ambivalentie bleef de Britse houding bepalen. Thatcher tekende in 1987 de Europese Akte ter ontwikkeling van de interne markt, maar ontpopte ze zich ook tot een van de felste tegenstanders van Brusselse bemoeienis: „Nee, nee, nee”, zei ze. John Major tekende in 1992 het Verdrag van Maastricht, maar onder groot verzet van een groep Conservatieve opstandelingen in het Lagerhuis.

David Cameron werd door beiden beïnvloed. Hij ging in 1988 op het hoofdkantoor van de Conservatieve partij werken, enkele dagen nadat Thatcher in een beroemd geworden rede in Brugge haar twijfels over Europese integratie uitte: „Natuurlijk willen we een verenigd Europa met een gezamenlijk doel, maar alleen op een manier die de verschillende tradities, parlementen, en het gevoel van nationale trots bewaart.” Tijdens de regering van Major was Cameron vertrouweling van minister van Financiën Norman Lamont die openlijk twijfelde aan de EU.

Maar de pragmaticus Cameron zag ook hoe ‘Europa’ de bron was van bittere verdeeldheid onder Conservatieven. In zijn eerste jaren als partijleider vermeed hij het onderwerp instinctief. De Tories moesten vooral niet „doordrammen” over de EU, vond hij. Op zijn eerste buitenlandse reis als premier – naar Berlijn – benadrukte hij dat zijn land „een positieve speler in Europa” zou zijn.

Maar veel van zijn partijgenoten in het Lagerhuis hebben die koers nooit geaccepteerd. De oude garde eurosceptici beklaagt het verlies van nationale identiteit en soevereiniteit – dat is niet anders dan tijdens Thatcher en Major. Maar ook de jongere lichting Lagerhuisleden die in 2010 werden gekozen, is kritisch. De jonge garde ziet met lede ogen toe hoe de eurocrisis ervoor heeft gezorgd dat ‘Brussel’ allerlei regels oplegt aan de Londense City. De jongelingen vinden dat de bureaucratie binnen de EU de Britse vrijhandelsgeest belemmert. Ze zien het liefst een terugkeer naar de EEG van 1973, een handelsblok zonder politieke dimensie. De eurocrisis beschouwen ze als een kans: de Britse positie in Europa verandert hoe dan ook. Het lijkt hét moment om het EU-lidmaatschap ter discussie te stellen.

Inmiddels lijkt er, op de LibDems na, geen pro-Europeaan meer te vinden in het Lagerhuis. Want ook Labour gedraagt zich sinds het premierschap van Tony Blair (1997-2007) toenemend eurosceptisch. De boodschap die Downing Street aan Europa wil meegeven is dat de interne markt voor de Britten van groot belang is, en zelfs een prioriteit. En dat de Britten zijn begonnen met „een balans van de bevoegdheden”, een onderzoek naar welke regels en wetten Europees worden bepaald en wat de kosten en baten daarvan zijn. En dat er wordt gekeken of bestaande afspraken op het gebied van justitiemoeten worden opgezegd.

En: dat er zeker een referendum over het Britse EU-lidmaatschap zal worden gehouden. Maar Downing Street zegt ook dat deze stappen niet automatisch zullen leiden tot een ‘Brixit’.

Dat is de vraag. Zeker het referendum kan een eigen dynamiek veroorzaken, als rechtse Tories en de tabloids blijven pleiten voor een eenvoudige in/out-vraag. Alle partijen zijn inmiddels voor een volksraadpleging over de relatie met de EU, al blijft onduidelijk wat er gevraagd moet worden. Vooral omdat onduidelijk is hoe die relatie over een paar jaar zal zijn.

Cameron ziet het referendum liefst pas na 2015 plaatsvinden, wanneer Londen op basis van de ‘balans van de bevoegdheden’ heeft kunnen heronderhandelen over het Britse EU-lidmaatschap. Dat zou dan een light-versie kunnen zijn, bijvoorbeeld deelname aan de interne markt en verder zo weinig mogelijk. Het zal zeer moeilijk zijn om andere hoofdsteden zo ver te krijgen.

Het tijdpad van Cameron vergt – niet alleen deze week maar ook bij volgende toppen – veel diplomatieke koorddanserij. Met ieder veto groeit de irritatie onder de Europese onderhandelingspartners. Maar zonder een ‘nee, nee, nee’ kan Cameron niet thuis komen.