Zonder stempel van Stalin

De kunst uit de Sovjet-Unie heeft geen al te beste naam. Het Drents Museum laat nu werk zien van kunstenaars die buiten de lijntjes durfden te werken.

Aleksandr Dejneka, Textielwerksters, Olieverf op doek, 1927

Het socialistisch-realisme heeft een slechte reputatie. Het staat bekend als propagandakunst in dienst van totalitaire regimes, die in weerwil van de benaming juist niet de werkelijkheid laat zien, maar een ideaal waar het leven, om met Stalin te spreken, ‘vrolijker en beter’ is.

Een paar van de bijna tachtig schilderijen en beelden op de tentoonstelling De Sovjet Mythe. Socialistisch-realisme 1932-1960 bevestigen de slechte reputatie. Zo is Stalin op het kolossale doek Eerbetoon aan de grote leider Stalin van Viktor Tsyplakov en twee andere schilders uit 1950 het stralende middelpunt van een opgetogen applaudisserende menigte van jonge en oude vertegenwoordigers van de vele volkeren die de Sovjet-Unie telde. In werkelijkheid werden verschillende, vooral Turkssprekende, volkeren toen vervolgd en waren de Tataren in de Tweede Wereldoorlog zelfs massaal van de Krim gedeporteerd, waarbij vele duizenden waren omgekomen. Nog leugenachtiger is het Kolchozenfeest van Arkadi Plastov uit 1937. Hierop zitten de werknemers van een collectieve boerderij aan met voedsel overladen tafels, terwijl de collectivisatie van de landbouw in de jaren dertig juist had geleid tot hongersnoden met miljoenen doden.

Toch laat de Sovjet Mythe vooral zien dat het socialistisch-realisme veel meer was dan platte propagandakunst voor simpele zielen. Gastcurator Sjeng Scheijen, eerder een van de samenstellers van de grote tentoonstelling van de Russische schilder Ilja Repin in het Groninger Museum in 2002 en schrijver van een prachtige biografie van Serge Diaghilev, de leider van de Ballets Russes, wil ermee duidelijk maken dat de kunst onder Stalin veel diverser, en ook beter was dan de slechte reputatie doet vermoeden.

Hij mocht vrijelijk kiezen uit de enorme collectie Sovjetkunst van het Russisch Museum in Sint-Petersburg en koos onder meer tien schilderijen van Alexander Deineka, de hoofdfiguur van de Sovjet Mythe die, ten onrechte, in het Westen nauwelijks bekend is. Al voor het socialistisch-realisme in 1934 werd gedefinieerd als ‘kunst die de werkelijkheid in haar revolutionaire ontwikkeling weergeeft’, maakte Deineka figuratieve schilderijen die het nieuwe, socialistische leven toonde. Maar hij deed dat in een sterk van het realisme afwijkende stijl waarin het licht op een intrigerende manier op de afgebeelde figuren schijnt. Ook wat hij afbeeldt is vaak verre van realistisch. Zo is de arbeid in zijn Textielwerksters uit 1927 niet zwaar, vies en zweterig, maar een bijna sacrale bezigheid. In witte jurkjes geklede, blootsvoetse arbeidsters doen in een heldere, witte ruimte van een fabriek in de stijl van Het Nieuwe Bouwen met heilige toewijding hun werk. De machine waaraan de voorste vrouw werkt, heeft Deineka niet geschilderd, zodat ze haar arbeid als een pantomimespeelster verricht.

Ook nadat het socialistisch-realisme in 1934 de officiële leer in de Sovjetkunst was geworden, slaagden veel Sovjet-kunstenaars erin om een eigen weg te bewandelen. Ronduit erotisch is bijvoorbeeld de wijze waarop Alexander Samochvalov vrouwen schilderde. Zijn Metroarbeidster met drilboor uit 1937 is met haar tot op de heupen afgestroopte overall en een grote boor in haar linkerhand zelfs een onvervalste socialistische pin-up. En de naakte soldaten op paarden in een rivier in Arkadi Plastovs Het baden met de paarden uit 1938 zijn onverhuld homo-erotisch.

Ook het cliché dat de invoering van het socialistisch-realisme een abrupt einde maakte aan de bloei van de avant-gardistische kunst in de Sovjet-Unie wordt op De Sovjet Mythe genuanceerd. Kazimir Malevitsj, een pionier van de abstract-geometrische schilderkunst, ging eind jaren twintig weliswaar weer figuratief schilderen, maar greep hierbij terug op zijn eigen avant-gardistische kubo-futurisme uit 1913. Pas in de laatste twee jaar van zijn leven – Malevitsj stierf in 1935 – ging hij over op meer traditionele stijlen.

Na 1935 nam, met de toenemende terreur van het Stalinregime, de diversiteit van het socialistisch-realisme af. Vooral in de jaren na de Tweede Wereldoorlog kreeg het socialistisch-realisme triomfalistische trekken en viel er voor kunstenaars bijna niet te ontkomen aan het vervaardigen van jubelkunst met Stalin en andere Sovjetleiders als stralende middelpunten. Maar na de dood van Stalin in 1953 veranderde dit en werd het zelfs mogelijk om de echte werkelijkheid te laten zien. Zo is Geli Korzjevs Sporen van de oorlog uit 1964 een volstrekt onheroïsch portret van een militair die in de Tweede Wereldoorlog een oog had verloren. Ook zijn Oude wonden uit 1967 is realistisch in de ware zin van het woord: een oude oorlogsveteraan ligt, heel gewoon, peinzend in bed naast zijn slapende vrouw.

Wie meer van de realiteit in de Sovjet-Unie wil zien, kan op de bovenverdieping van het Drents Museum naar Samen en alleen. Hier bevindt zich onder meer een installatie van Gijs Kessler en Jeroen de Vries die, aan de hand van onder meer foto’s uit Russische archieven en familiealbums, toont hoe het dagelijkse leven in het eerste socialistische land ter wereld ongeveer was. Een van de foto’s is die van halfnaakte, magere dwangarbeiders in een kampin de Goelag. Ook hangen hier affiches en liggen er (kinder)boeken uit de Sovjet-Unie uit de collectie van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam.

De Sovjet mythe. Socialistisch Realisme 1932-1960. Catalogus (W Books, 144 blz.) €24,95

Samen en alleen. Leven in Rusland van 1900 tot nu. T/m 9 juni 2013 in Drents Museum, Brink 1 Assen. Geopend: di t/m zo 11-17 u.