Zombies voor iedereen tv-series

Dit jaar viel een groot publiek voor horror en fantasy. Verantwoorde televisie over de afgelegen gebieden van de goede smaak.

2012 was voor tv-series het jaar van de doorbraak van cultgenres als horror en fantasy. Niemand had een jaar geleden kunnen voorspellen dat series over zombies en over zwaardvechters in een mythisch rijk bovenaan de jaarlijstjes zouden figureren. Maar grote Amerikaanse kabelzenders als HBO en AMC namen de gok om kwaliteitstelevisie te maken over deze afgelegen gebieden van de goede smaak.

De boeken en films over Harry Potter en de Lord of the Rings-filmtrilogie hebben kennelijk de weg geplaveid. Inmiddels kunnen horror en fantasy het ook zonder de omweg van het kinderverhaal en zonder een ijzersterk merk als Tolkien. De serie Game of Thrones is gebaseerd op de fantasyboeken van R.R. Martin: bestsellers die anders nooit iemand buiten het nerdkamp had gekend. Voor de horror van de serie The Walking Dead geldt hetzelfde: gebaseerd op een schitterende serie graphic novels, die nauwelijks weerklank kreeg buiten de kring van liefhebbers.

De makers van beide doorbraakseries gebruiken slim het belangrijkste wapen van de tv-serie: de tijd. Bij elke serie is er – in de vele uren die ter beschikking staan – de gelegenheid een verhaal een symfonische compositie te geven. Om low met high culture te verbinden integreren ze menselijk drama: het gebruikelijke geploeter van de menselijke soort in relaties, familie en werk.

Eigenlijk is Game of Thrones in het eerste seizoen nog nauwelijks fantasy. De setting is een fantasierijk van een middeleeuws aandoende beschaving en het verhaal begint met magie in het woud achter de Grote IJsmuur, waar schimmen op onverklaarbare wijze doden achterlaten en weer verwijderen. Pas in de slotaflevering, als er kleine draakjes worden geboren, benut de serie weer de bovennatuurlijke mogelijkheden van het genre. Maar het hart van het verhaal vormen de ondeugden van de mens, die royaal worden gevierd: hebzucht, wellust, toorn, ijdelheid. Met de dwerg van de meest wrede familie die als een soort Woody Allen de handelingen van ironisch commentaar voorziet, een briljante rol van Peter Dinklage.

Bij The Walking Dead kun je veel moeilijker heen om de horror: de choquerende goorheid van het aangetaste vlees van de wandelende lijken. Toch is de horror bijzaak. De serie is een verhaal over het einde der tijden, met de bijbehorende romantische gloed en spanning van het alleen op de wereld moeten overleven. Maar de essentie ligt bij de morele vragen bij alles wat de hoofdpersonen doen, zoals: is beschaving nog een doel?; is alles geoorloofd om te overleven?; wie spreekt recht?; hoe voed je een kind op? Dat is ook wat een breed publiek aanspreekt. Ook schrijvers als Paul Auster (In the Country of Last Things) en Michael Cunningham (Specimen Days) hebben al laten zien dat zulke extreme omstandigheden survivalverhalen met literaire kwaliteit kunnen opleveren.

De horror van de zombies is ook relatief. Dat ze in menigtes opereren, maakt ze gevaarlijk, maar ze wandelen zo sloom dat ze ieder voor zich ook wel iets aandoenlijks hebben. Zo wordt de gruwelijkheid getemperd. Hoe nodig dat is, maakt een vampierserie als True Blood duidelijk. Dat is ook een serie die met veel aandacht voor de ontwikkeling van personages haakt naar een breder publiek. Maar hoofdpersonen die bloed zuigen? Nee, dankuwel. En ook de net verschenen serie American Horror Story is hardcore. De makers gaan er vanaf het begin vol in: piepende muziek, geestverschijningen, hallucinaties, mensen die plotseling opduiken – alle klassieke horroringrediënten. Alleen voor de echte liefhebbers van het genre.