Seks, drugs en nazi’s non-fictie geschiedenis

Soulbrother James Brown en Adolf Hitler. 2012 was een jaar met veel goede biografieën.

‘Sex & drugs & rock ’n’ roll’ verkopen: 2012 is het jaar van de memoires en biografieën van popsterren. Na het succes van Life, de memoires van Rolling Stone Keith Richards in 2010, waarvan wereldwijd meer dan 1 miljoen exemplaren werden verkocht, zetten vooral Amerikaanse uitgeverijen tal van popmuzikanten die de zestig zijn gepasseerd aan het werk. Vorig jaar verschenen vooral memoires van b-popsterren, onder wie Sammy Hagar (van Montrose en Van Halen) en Steven Tyler (van Aerosmith), maar dit jaar waren de a-sterren aan de beurt: de afgelopen maanden verschenen de memoires van onder anderen Neil Young, Rod Stewart en Pete Townshend. Daarnaast verschenen dit jaar biografieën van onder anderen de nog levende zeventiger Leonard Cohen, Prince en de dode John Lennon en James Brown.

Over de laatste schreef de Amerikaanse journalist R.J. Smith het schitterende The One, waarin hij de hoge pieken en diepe dalen in het leven van Soulbrother nr 1 onverhuld maar met begrip beschrijft.

Van de memoires is Who I Am van Who-gitarist Pete Townshend de opmerkelijkste. Niet alleen is Townshend een goede stilist – hij is een ervaren schrijver die uit zijn dagboeken kon putten en al in 1985 een bundel korte verhalen publiceerde onder de titel Horse’s Neck – maar ook is hij openhartig. Townshend blijkt geen archetypisch rock-’n-rollbeest, maar een merkwaardige combinatie van zelfvertrouwen en onzekerheid. Hij weet zeker dat hij, als uitvinder van de ‘powerakkoorden’, een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de popmuziek, maar hij vindt zichzelf geen groot gitarist. Onzeker is hij ook over zijn seksualiteit. Hij is een heteroseksueel met homoneigingen en de groupies, van wie de drie andere leden van The Who grootgebruikers zijn, laat hij bijna allemaal links liggen.

Voor historici waren afgelopen jaar nazi’s de favoriete bad guys van de geschiedenis van de 20ste eeuw. In 2012 zwol de stroom boeken over het naziregime en zijn kopstukken aan tot een vloedgolf. Zelfs over Hitler, waarover al verschillende vuistdikke biografieën bestaan, wist de Britse journalist Laurence Rees nog iets nieuws te melden. In zijn voortreffelijke Het charisma van Adolf Hitler laat hij zien hoe miljoenen gewone Duitsers in de ban raakten van de Führer.

Onder de tientallen naziboeken in 2012 zat ook de eerste Nederlandse vertaling van een deel van de dagboeken van Joseph Goebbels, de propagandaminister van het Derde Rijk waaruit weer eens bleek hoe de nazi’s van begin af aan uit waren op oorlog. Maar 2012 was in Nederland vooral het jaar van de ‘slager van Praag’, SS-leider Reinhard Heydrich. In het voorjaar verscheen niet alleen Hitlers beul, de Nederlandse vertaling van Robert Gerwarths Heydrich-biografie, maar ook die van het prachtige Mendelssohn op het daken het zo mogelijk nog mooiere Leven met een ster, twee romans van de Tsjechische schrijver Jirí Weil (1900-1959) die zich in Praag in WO II afspelen. Hitlers beul en Mendelssohn op het dak zijn een correctie op Laurent Binets HhhH, de hype van 2011 waarin Heydrich van kindsaf aan een verschrikkelijk beest is. Maar zo eendimensionaal was Heydrich niet. Opgegroeid in een muzikaal, welgesteld gezin, werd hij pas een fanatieke nazi nadat hij wegens een amoureuze affaire was ontslagen uit de marine.