Schaamteloos schenken

Van de appel in Sneeuwwitje tot het kerstpakket van de baas – de gever wil er altijd iets voor terug. Een kleine geschiedenis van het geven.

Aan het geschenk kleven heel wat haken en ogen. Je mag het niet in de bek kijken. Stelt het weinig voor, dan komt het toch uit een goed hart. Dat laatste mag alleen de schenker zeggen. En natuurlijk kan het meteen geruild worden, maar dat hoort de ontvanger niet zelf voor te stellen.

Het geschenk kan het menselijk verkeer vergemakkelijken maar evenzeer verstoren. Zo veronderstelt het in ontvangst nemen van een cadeau blijde verrassing, ook als het nergens op slaat. Alleen is het talent om blijmoedig te ontvangen zeer ongelijk verdeeld. Maar gaat het allemaal goed, dan biedt het geschenk ideale mogelijkheden om intieme contacten te leggen of te versterken. Bijna blozend nam ik bij de sinterklaasviering op school van een meisje een 45-toerenplaatje met muziek van Chet Baker in ontvangst. Ze wist iets intiems van mij (jazz!) en gaf me door middel van dat cadeau te kennen dat ze in die sfeer met me wilde verkeren.

Toch betekent een geschenk al gauw dat je je verplicht voelt. Ooit zul je iets moeten teruggeven van vergelijkbare waarde. Ronduit beledigend kan een boekenbon zijn of een fles wijn. Kennelijk is de gever te beroerd om zich in je te verdiepen. Dat wordt zelfs pijnlijk als je een blinde geheelonthouder bent. Maar niet elke boekenbon is onder alle omstandigheden fout. Een fanatieke lezer wil niets liever dan nog meer boeken en die zoekt hij het liefst zelf uit. Een wijnkenner kun je juist van zijn stuk brengen met een bijzondere fles.

Met het geschenk kun je alle kanten op. Vroeger speelde het een nog prominentere rol. Niet alleen als sociaal smeermiddel, maar ook als beloning voor bewezen diensten en offer om goden en vorsten gunstig te stemmen. Verder gaan geschenken veelvuldig vergezeld van wraakgevoelens, waardoor ze nogal eens dekmantel zijn van bedrog. Berucht is de appel waarmee Eva Adam verraste. Die wist dat daar een luchtje aan zat, maar hij hapte toe uit vrees voor de woede van zijn vrouw. Zo heeft het eerste geschenk in de Schepping de mens meteen in de verdoemenis gestort. Dat galmt nog na in het sprookje dat Sneeuwwitje laat stikken in een vergiftigde appel van haar jaloerse stiefmoeder. En net als in de Bijbel verschijnt hier de Verlosser, in dit geval een wereldse prins, die haar het kwaad doet ophoesten en weer de poort opent naar het leven.

Ook andere culturen leveren zulke loodzware waarschuwingen tegen geschenken, denk aan Pandora’s doos en het Paard van Troje. Dat paard werd door de Trojanen opgevat als afscheidsgeschenk van de Grieken, die ontgoocheld na hun vergeefse pogingen om Troje te veroveren het veld ruimden. Alleen de priester Laocoön waarschuwde met het beroemde zinnetje uit Vergilius’ Aeneis: „Ik ben bang voor de Grieken, ook als zij geschenken aanbieden.” En hij kreeg gelijk. Het naar binnen gesleepte cadeau herbergde soldaten die Troje alsnog te gronde wisten te richten.

Heel normaal was het geschenk als middel om gunsten te verkrijgen. De omgeving van Willem van Oranje werd schaamteloos begiftigd met geschenken om de prins te bewegen tot wederdiensten. In 1577 kreeg zijn vrouw Charlotte de Bourbon van de stad Antwerpen een fraaie koets met drie bonte paarden, een schot in de roos want ze had zich ooit beklaagd over het vervoer in een soort boerenkar. Antwerpen plukte daarna de vruchten van de vorstelijke besluitvorming. Die cultuur is allerminst verdwenen, alleen heet het nu eerder donatie of relatiegeschenk. En de hoop op beloning resoneert altijd mee. Donaties bij Amerikaanse verkiezingscampagnes kunnen bij succes zelfs gehonoreerd worden met ambassadeursposten, waar kleinere landen als Nederland nogal eens onder te lijden hebben.

Steekpenningen

Kenmerkend voor de ethische inperking van het geschenkwezen zijn de opeenvolgende Bijbelvertalingen. Het boek Exodus waarschuwt voor het aannemen van smeergeld, „want steekpenningen maken zienden blind en maken eerlijke mensen tot leugenaars”(23:8). Zo staat het er in de recente vertaling van 2004. Maar de vorige uit 1977 sprak nog van ‘geschenken’, evenals de Statenvertaling uit de zeventiende eeuw. Wat vroeger geschenk heette, wordt nu meestal vertaald met steekpenning, smeergeld, omkoping en belasting.

Voor alles was het geschenk ruilmiddel. Daarbij moesten wel de juiste proporties in het oog gehouden worden. Was de Heer niet woedend uitgevaren in de Bijbel (Jesaja 1:11-13) tegen al die offergaven waarmee het volk zijn deuren platliep? Ook bij heiligen moest je uitkijken. Kreeg Sint Rochus, beschermer tegen de pest, een verkeerd geschenk, dan verspreidde hij juist dat kwaad over de aarde. Omgekeerd kon een heilige bij het uitblijven van wederdiensten gestraft worden. Zijn beeld werd dan in de hoek gezet, afgeranseld of in de rivier gesmeten.

De do-ut-des-cultuur (geef opdat je gegeven wordt, evangelie van Lucas 6:3) die de vroomheid beheerste, kwam in de Middeleeuwen steeds meer onder druk te staan. God leidde toch niet een nutsbedrijf waarvan armen en rijken konden profiteren? Maar pas de Reformatie zou het schenken om in de hemel te komen categorisch afwijzen. Toch klinkt de overtuiging van wederkerigheid nog door in de gebedscultuur en bedevaartspraktijk. Tot in deze tijd komen beloften voor aan Jezus, Maria of de heiligen om bij genezing met een geschenk te zullen aankomen. Die nemen dan de vorm aan van de herstelde lichaamsdelen in was of zilver, terwijl ook wel bedankt wordt met schilderijen of een wandtegel. Heel concreet is de plaquette die in het Antwerpse begijnhof hangt: ‘Goede Jesus / Verhoor my / Maart 1905 – Verhoord! Hartelyken dank / November 1905’.

In meer geseculariseerde vormen lijkt deze onderhandelingsvroomheid zelfs een nieuw leven te beginnen. Juist Nederland, overeind gehouden door een krachtige koopmansmoraal, sust graag het geweten met giften en nationale acties ten bate van goede doelen. Daarin zijn we marktleider, zeker sinds we onszelf vanaf het midden van de negentiende eeuw hebben uitgeroepen tot geweten van de wereld. De bijbehorende neutraliteitspolitiek opende vervolgens nieuwe wegen voor meedogenloze handelsactiviteiten: de hele wereld stond immers weer open. Ook de relatief hoge vrijgevigheid bij ontwikkelingshulp is van niet te onderschatten belang voor de eigen industrie.

Een nieuwe variant van de quasi-belangeloze vrijgevigheid valt te bespeuren bij de uitnodigingen om in plaats van een persoonlijk geschenk een donatie te doen aan een opgegeven project – men heeft zelf namelijk alles al. De hypocrisie druipt er vanaf, want op deze manier verheft het feestvarken zijn status door zich te afficheren als kampioen van onbaatzuchtigheid. Tegelijkertijd laat hij weten tot het welgestelde deel van de bevolking te behoren.

Het kerstpakket lijkt eerder bedoeld om de werknemer op zijn plaats te zetten – hij mag dankbaar zijn voor zo’n nobele werkgever. Jaarlijks debatteerden mijn ouders over de vraag of de baas het wel goed gedaan had met de luxe consumptiegoederen. Goudmerkkoffie in plaats van roodmerk, blikjes met zalm (toen zeer exquis) en ook rare thee, altijd minder gewaardeerd, want het bleef toch thee. Verder een fles wijn niveau ‘château’, twee sigaren in aparte kokertjes, droge worst (kreten van bewondering) en altijd iets wat voor ons niet direct als eten herkenbaar was zoals gekleurde pasta. Maar de discussie bleef zich toespitsen op de vraag of de artikelen wel luxe genoeg waren en niet net zo goed door onszelf gekocht konden worden – wat we natuurlijk nooit deden.

Het mooist is iets geven van jezelf, met als hoogtepunt jezelf als present. Dat is de wereldse vorm van wat Jezus als Verlosser voor de hele mensheid deed, in allerlei vormen van overgave nagevolgd door monniken en nonnen. Denk aan Carice van Houten die in de film Alles Is Liefde verkleed als cadeautje in de armen van haar prins valt. Het onderstreept dat ook de zuiverste liefde gevangen zit in een web van schenken en belonen. Dat riekt naar betaalde liefde. En dat staat nu juist in schril contrast tot wat liefde in wezen zou zijn: een wederzijdse begeestering op basis van gelijkwaardigheid. Dat evenwicht wordt verstoord door van zichzelf een cadeautje te maken.

De sinterklaassurprise is een geraffineerd middel om elkaar te vlijen, te pesten of liefdevol te corrigeren. Door een kunstig verborgen geschenk en een bijbehorend kreupelrijm worden de tekortkomingen van een ander belachelijk gemaakt. Maar tegelijkertijd bevestigt de schenker daarmee zijn intieme betrokkenheid. Daarbij blijft het altijd de vraag of je de juiste toon getroffen hebt. Zo kun je onherstelbare schade aanrichten door de bundel columns Mooi geweest van Annemarie Oster over de worstelingen van een oudere dame met haar lichamelijke verval te schenken aan een nog jeugdig ogende vriendin op jaren. Alsof zij worstelt met dergelijke problemen! Toch kan het bij een intieme vriendschap juist weer wel, bij wijze van beschermende zelfspot voor later.

Misschien bieden de woorden van Laocoön over het Paard van Troje de beste richtlijn. Dat zinnetje figureerde op gymnasia om de gebruiksmogelijkheden van het voegwoord et te demonstreren: ik vrees de Grieken ‘et dona ferentes’, ook als ze geschenken meenemen. Mijn leraar Latijn koos eigenzinnig voor: ‘juist’ als ze je iets willen geven. Volgens mij had hij gelijk: pas op voor mensen die (grote) geschenken meenemen.

Zie ook: Aafke Komter (red.), Het geschenk (1997) en N.Z. Davis, The gift in sixteenth-century France (2000)