Popcornfilms met pretentie films

Een nieuwe generatie regisseurs maakt blockbusters met artistieke ambities. Drama en spektakel gaan best samen.

De aartsvaders van de blockbuster nemen afscheid. George Lucas heeft zijn bedrijf Industrial Light en Music verkocht, Steven Spielberg heeft niet al te veel zin meer in actie, en Tony Scott is dood. Het is de generatie filmregisseurs die – for better or for worse – de filmindustrie heeft gemaakt tot wat het tot op de dag van vandaag is, met films als Star Wars (Lucas), Jaws (Spielberg) en Top Gun (Scott).

Met de verkoop van zijn studio en de rechten op de Star Wars-reeks aan Disney (voor een slordige 4 miljard dollar) draagt Lucas de fakkel over aan een nieuwe generatie filmmakers. Disney is van plan om een nieuwe filmtrilogie rond Star Wars uit te brengen, waarbij Lucas hoogstens nog als ‘creatief adviseur’ zal optreden. En terwijl Lucas zijn bedrijf aan het verkopen was, verklaarde zijn kompaan Spielberg weinig belangstelling meer te hebben voor het genre van de actiefilm („Ik kan actiescènes tegenwoordig in mijn slaap regisseren”).

Spielberg zal zich vermoedelijk meer gaan richten op serieus drama, zoals in zijn nieuwe presidentiële biopic Lincoln, met Daniel Day-Lewis als Abraham Lincoln.

Tony Scott sprong in augustus van dit jaar om nog altijd niet opgehelderde redenen van een brug in San Pedro, Californië, zijn dood tegemoet.

Het gaat hier om meer dan louter een generatiewisseling in Hollywood. Spielberg en Lucas zijn de vaders, en Scott was een van hun beste leerlingen, van de hedendaagse blockbuster. Zij leverden het economisch model dat nog altijd van kracht is in de Amerikaanse filmindustrie: in de zomer komt het grote en spectaculaire vermaak in de bioscoop, gericht op de vakantievierende jeugd, vergezeld van een enorm marketingbombardement en met een bijna-monopolie op zo ongeveer alle filmdoeken.

Die films vormen de zogeheten ‘tentstokken’; de grote geldverdieners die het dak van de filmindustrie omhoog houden. En dat begon allemaal in 1977 met Jaws.

Dat economische model zal voorlopig wel blijven bestaan. Maar er is een nieuwe generatie regisseurs van de popcornfilm opgestaan, met andere en ook verder strekkende ambities dan hun grote voorgangers. George Lucas had nog zijn carrière lang last van een knagend geweten. Hij vond dat hij zijn talent eigenlijk had moeten aanwenden voor de kleinere, artistieke films waarmee hij zijn carrière ooit begon, in het voetspoor van Francis Ford Coppola, in plaats van zijn lucratieve megareeksen als Star Wars en Indiana Jones. En een regisseur als Spielberg hield zijn grote vermaak en zijn serieuze films altijd strikt gescheiden. Zo maakte hij in 1993 zowel Jurassic Park als Schindler’s List.

Maar nieuwe blockbusterregisseurs mengen het serieuze en het frivole, het artistieke en het commerciële, de luim en de ernst vrolijk door elkaar; zoals Christopher Nolan in zijn Batman-trilogie en Sam Mendes in de nieuwe Bondfilm Skyfall. Waarom zouden de Batmanfilms niet èn een groot spektakel kunnen zijn èn een verwijzing naar de romans van Charles Dickens èn bloedserieuze reflectie op de war on terror in het eerste decennium van de 21ste eeuw? En waarom zou James Bond niet èn een glamoureuze vrouwenmagneet kunnen zijn èn een getraumatiseerde, verbeten oudere man, die moet vechten tegen de vergankelijkheid?

Nolan met een achtergrond in arthousefilms (Following, Memento), Mendes met een achtergrond in het theater, en Paul Greengrass (van de Bourne-reeks) met een achtergrond in docudrama (alledrie overigens Britten) zien de tweedeling veel minder scherp. Kunst en commercie, realisme en fantasie, drama en spektakel – het kan ook samen gaan. Ze maken popcornfilms met pretenties. En met succes. Het zou raar zijn als Christopher Nolan met zijn glorieuze The Dark Knight Rises niet voor een flink aantal Oscars zal worden genomineerd.