Nederlanders langer, bepaalde kankers nemen toe

Progress against cancer in The Netherlands since the late 1980s, Population-based studies of incidence, prognosis and mortality; Henrike E. Karim-Kos, Erasmus Universiteit Rotterdam (2012); Enhancing return to work of cancer patients, Sietske J. Tamminga, Universiteit van Amsterdam (2012)

Dertig miljoen stelde het ministerie van OCW deze week beschikbaar aan het Cancer Genomics Centre voor onderzoek naar meer effectieve therapieën tegen kanker. Veel geld voor een onderzoeksgebied waar mede dankzij het KWF Kankerfonds al heel veel in geïnvesteerd wordt. Begrijpelijk, want kanker is nu de eerste doodsoorzaak. Lange tijd waren dat de hart-en vaatziekten, maar dankzij succesvolle preventie, snellere hulpverlening en betere behandelingsmethoden zijn de overlevingskansen na een hartaanval of beroerte heel sterk toegenomen. Mijn grootvader stierf nog geen zeventig jaar oud in 1954 aan een hartaanval. Mijn vader kreeg op dezelfde leeftijd eveneens een hartaanval, maar hij kreeg onmiddellijk hulp en bleef leven. Hij stierf toen hij 86 was aan inderdaad weer een hartaanval, maar wel een die volgde op een operatie om een tumor uit de darmen te verwijderen.

Toch kanker dus, een echte aandoening van de ouderdom. Ruim honderdvijftig jaar geleden, bij het begin van de moderne geneeskunde, was het sterftecijfer drie keer zo hoog als nu en de helft van de sterfte vond plaats bij kinderen en jongeren. Infectieziekten waren de snelle killers van toen. Maar een op de twintig doden was al tachtig jaar of ouder. Nu is het precies andersom. Nog niet een procent van de sterfgevallen vindt plaats bij jongeren onder de twintig, bijna vijftig procent bij mensen boven de tachtig. In veel en naar verhouding steeds meer gevallen aan, zoals dat dan zo mooi heet, de ‘gevolgen van kanker’.

Kanker is van alles, komt door van alles en manifesteert zich in van alles. De oorzaak kan erfelijk zijn, zoals soms bij borstkanker, maar kan ook het gevolg zijn van bijvoorbeeld roken, zoals bijna altijd bij longkanker. Henrike Karim-Kos brengt in haar proefschrift de epidemiologie van kanker in Nederland heel nauwkeurig in kaart. Ze doet dat voor een groot aantal verschillende vormen van kanker en over een periode van minstens 25 en soms ook 50 jaar. Hoewel kanker de eerste doodsoorzaak is geworden, daalt de sterfte aan kanker. Per 100.000 mannen daalde de sterfte van 312 gevallen in 1987 tot 228 in 2009, bij vrouwen was de daling minder sterk, maar kwam toch uit op 152 sterfgevallen per 100.000 vrouwen in 2009. Alle doodsoorzaken samen telden in 2009 op tot 810 per 100.000 inwoners.

Veel vormen van kanker kunnen beter behandeld worden en dat heeft een positief effect op de overlevingskans. Dat geldt bijvoorbeeld voor borstkanker en baarmoederhalskanker bij vrouwen en kanker van de prostaat en schildklier bij mannen. Nederland is wel een van de landen met een hoge incidentie van borstkanker, maar ook het land waar eierstokkanker dankzij het gebruik van de anticonceptiepil duidelijk steeds minder voorkomt. Verrassend was voor mij wel de conclusie uit recent onderzoek dat een aantal kankertypen meer voorkomt door de toegenomen lengte van de Nederlandse bevolking. Dat overgewicht en zeker obesitas een rol spelen bij de kans op het krijgen van kanker is al langer bekend. Ook het risico dat roken, te veel alcohol en te veel zonnebaden met zich meebrengt, is inmiddels wel bekend. Daarmee samenhangende tumorontwikkeling in de slokdarm, de maag, de longen en de huid heeft nog altijd een slechte overlevingsprognose. De kans op kanker kan in al deze gevallen sterk verkleind worden door gedragsverandering. Het spectaculairste voorbeeld daarvan is natuurlijk het tegengaan van en stoppen met roken. Ongeveer een kwart van de volwassen Nederlanders rookt nog, maar dat was bij mannen nog niet zo lang geleden ruim driekwart. In internationale vergelijking blijken we nog steeds veel te roken, maar longkanker komt bij mannen nu echt minder voor, terwijl de incidentie bij vrouwen nog toeneemt. Het zal niet verbazen dat Henrike Karim-Kos haar proefschrift, hoofdzakelijk bestaand uit al eerder in internationale tijdschriften gepubliceerde overzichtsartikelen, besluit met een pleidooi voor een versterking van de preventieve inspanningen. Ze denkt dat met name aan meer aandacht, ook van de politiek, voor het tegengaan van obesitas.

Veel mensen die op zich goed hersteld uit een behandeling tegen kanker komen, klagen over een niet verdwijnend gevoel van vermoeidheid en neerslachtigheid. Sietske Tamminga beschrijft in haar proefschrift de ontwikkeling en toepassing van een programma ‘Begeleiding bij werkhervatting’ voor mensen met kanker. De interventie bestaat uit een reeks gesprekken in het ziekenhuis, een goede overdracht van informatie aan de bedrijfsarts en het advies aan de bedrijfsarts om met de betrokken werknemer en zijn baas samen te overleggen over de wijze waarop het werk weer hervat gaat worden. Daar is niets mis mee en het lijkt eigenlijk ook wel logisch om het zo te doen. Het probleem is alleen dat in een keurig gecontroleerde experimentele opzet geen enkel effect van de interventie viel vast te stellen. Er was geen verschil in de mate of het tijdstip van werkhervatting noch in de beleving van de kwaliteit van leven tussen de controlegroep en de experimentele groep. Het is goed dat dit gewoon feitelijk wordt vastgesteld, maar uiteraard wel frustrerend voor de hulpverleners die hoopten op een instrument voor de kwaliteitsverbetering van het dagelijks leven van kankerpatiënten.