Nederlanders hebben meer last van gevoeligheden

„Ze schrikken als ik agressief uit de hoek kom.” Wim Helsen veroverde een plaats in het Nederlandse cabaret.

Amsterdam, 28-01-09. Wim Helsen in zijn voorstelling "Het uur van de Prutser" .Nederlandse premiere op 29-01-09 in De Kleine Komedie Foto Leo van Velzen NrcHb.

In 2002, pas een jaar nadat hij van het cabaret zijn beroep had gemaakt, eindigde Wim Helsen (44) al in de finale van het Leids Cabaretfestival. In 2009 kreeg hij de Poelifinario, de cabaretprijs van de verenigde schouwburgen, waarvoor hij drie jaar eerder al eens was genomineerd. Met zijn absurde humor boekt Helsen succes in Nederland.

Hij veroverde vrij snel een plaats in het Nederlandse cabaretcircuit, waar hij meer professionele ruimte aantrof dan in het toen nog prille milieu van de Vlaamse stand-upcomedy. Toch staat hij allerminst op het podium als een klassieke grappenmaker of commentator van de hedendaagse tijdsgeest. Hij is veeleer een acteur van zijn eigen teksten over de menselijke conditie.

Dat zijn vele televisie- en theaterwerk in België hem de afgelopen twee jaar uit Nederland weghield, stemde hem wat ongerust. Maar intussen verloopt de kaartverkoop voor zijn nieuwe voorstelling Spijtig spijtig spijtig voorspoedig.

Waarom koos u ervoor om als cabaretier in Nederland te debuteren?

„Om van cabaret mijn beroep te kunnen maken. Het publiek is er veel groter, de traditie veel langer. Dus heb ik mijn energie daarop gericht. Maar nooit met de idee om alleen daar te spelen.”

De concurrentie is er ook veel groter.

„Gelukkig wist ik dat toen nog niet.”

En de druk van heersende conventies. Hebt u zich daaraan aangepast?

„Eigenlijk niet, want ook daarvan had ik nauwelijks weet. Het is met comedians en cabaretiers zoals met schaatsers: omdat er in Nederland zoveel zijn, zijn er ook meer die beter zijn. Voor wie iets wil doen met cabaret of comedy, bestaan allerlei al dan niet uitgesproken regels, en die kunnen de eigenheid in de weg zitten. Instinctief wist ik wat ik wilde laten gebeuren, maar hoe dat moest, heb ik onderweg moeten merken.”

In Nederland lijkt comedy meer gericht op grappen over de actualiteit.

„Dat zou ik ook wel eens willen doen. Met de voorstelling waar ik nu aan werk, heb ik dat geprobeerd, maar het is mislukt. Bovendien is de meest actuele actualiteit altijd lokaal, Vlaams dus. En dat wil ik niet.”

Gaan uw onderwerpen breder dan wat in het Nederlandse cabaret gebruikelijk is?

„Ik zie een zekere verwantschap met bijvoorbeeld Hans Teeuwen. In Nederland wordt wat ik doe vaak absurd genoemd, en dus ook: gek, zonder betekenis. In Vlaanderen wordt dat nauwelijks gezegd. Dat absurde is voor mij ook alleen maar een manier van vertellen. Aan het eind van de voorstelling voelen Nederlanders ook dat het om meer gaat dan alleen absurdisme.”

Werken grappen anders in Nederland?

„In het algemeen is er weinig verschil. Ik ga wel eens agressief tekeer tegen iemand in de zaal en dat werkt in Nederland heel goed. Ze laven zich daaraan. Vlamingen zullen dan eerder terugdeinzen en zich sneller afvragen wat mij toch bezielt. Soms ga ik me te buiten aan wat ik spelen in het luchtledige noem, kiekeboe doen van achter een gordijn, en dat tien minuten lang. Dat was altijd superplezant om spelen, maar in Nederland gaf het publiek mij sneller het gevoel dat het genoeg was geweest. Niksig is goed, maar in Nederland moet toch het vermoeden blijven bestaan dat het wel ergens over gaat.”

Uw taal klinkt behoorlijk Vlaams; u gebruikt graag de gij-vorm. Past u dat aan in Nederland?

„Nauwelijks. Ik gebruik wel iets vaker jij en jou, maar ik spreek de ‘g’ uit zoals ik dat altijd doe. Ik heb nooit kunnen verbergen dat ik van elders kom. Sommige dingen kennen ze er niet. Een zinnetje als ‘heddedagezien’ bijvoorbeeld. Maar uit de context blijkt wel wat het betekent. Een ‘buskot’ is bij hen een ‘bushokje’, maar daar hoeft ook niemand bij na te denken. In Nederland moeten ze wel vaker lachen wanneer ik een gewone, Vlaamse uitdrukking gebruik. Maar daar kan ik in de voorstelling ook iets mee doen, wat ik in België dan weer moet loslaten.”

Wordt uw ‘Vlaams’ niet ervaren als grappig en schattig en dus als onschuldiger dan het is, want soms schuilt veel grimmigheid in uw stukken.

„Dat denk ik niet. Want als ik plots agressief uit de hoek kom, komt dat ook veel harder aan. Dat effect is groter omdat ze het niet verwachten van een aaibare en schattige Vlaming, die zich zo snoezig uitdrukt. Nederlanders zijn zich soms ook weinig bewust hoe rijk hun eigen manier van praten is. Een uitdrukking als ‘het luistert nauw’ leerde ik pas een jaar of acht geleden kennen, maar je weet meteen wat ze betekent. Nederlanders zijn ook opener en meer luisterbereid.”

Is uw absurde humor in Nederland een voordeel?

„Zeker. En dat geeft me ook veel rust en vertrouwen wanneer ik met een nieuw programma begin. Het zou me ook niet lukken om het anders te doen. Ik zou ook wel eens min of meer als mezelf op het podium willen staan, want ik vind ook wel van alles over van alles. Maar dat lukt me niet. Dan klappen allerhande sluizen in mij dicht.”

Zijn er taboes waarop u let?

„Nauwelijks. Ik zoek ze niet op om ze te doorbreken, maar het tegendeel streef ik al evenmin na. In mijn voorstelling ‘Heden Soup!’ maakt een figuur zich kwaad omdat Maria als een heilige wordt vereerd, terwijl hij zelf nauwelijks aandacht krijgt, al ziet hij zichzelf ook als heilige. Op geen enkele manier is dat een commentaar op godsdienst, het gaat om die man. Maar op sommige plekken in Nederland hield plots de hele zaal de adem in. Er zijn zelfs mensen de zaal uitgelopen. Dat ik daar een taboe aanraakte, merkte ik bij het spelen. In Vlaanderen heb ik dat nog niet gemerkt.

„Nederlanders hebben meer last van overdreven gevoeligheden dan Vlamingen. Wij, met onze katholieke erfenis, houden het zonde- en schuldbesef wat meer in de persoonlijke levenssfeer. Vlamingen mogen ook de gordijnen sluiten, terwijl protestants Nederland alles open, transparant en helder wil. Bij ons is de desinteresse groter. De keerzijde is dat bij Nederlanders nog veel meer ideeën rondwaren die mensen in de weg zitten om het leven te leven.”

U laat zich vaak meeslepen door taal: het ene woord brengt het andere mee.

„Zo ontstaan de dingen bij mij. Het gebeurt bij het schrijven, het herschrijven, het repeteren, of bij het spelen, alsof ik er zelf bijna niet bij ben. Met taal kan je beelden scheppen waaraan iedereen zijn eigen invulling kan geven en die daardoor sterker zijn dan bestaande beelden. Wanneer ik het heb over een bushokje of een café, stelt iedereen zich daar zijn eigen versie van voor.”

U lijkt ook een fascinatie te hebben voor specifieke woorden, zoals ‘soep’.

„Sommige woorden zijn grappiger dan andere. ‘Gnoe’ is grappiger dan ‘paard’. Dat is intuïtie. Bijna alles wat ik maak, begint met intuïtie.”