Column

Klappen krijgen

Even recapituleren, anders snap ik het zelf ook niet meer: in de jaren negentig van de vorige eeuw leken de tegenstellingen in ons land zo verwaarloosbaar, dat links en rechts best in een kabinet konden gaan zitten. Een tijd lang leek er niets aan de hand, totdat er een veenbrand bleek te woeden. Aan de flanken, links en vooral rechts, laaide het vuur plots hoog op.

Om die brand meester te worden, moesten de middenpartijen zich openstellen voor de flanken.

Dat deden ze.

De VVD werd een stuk minder ontspannen liberaal – de strijd voor het winkelen op zondag werd al gauw ondergeschikt aan breed uitgespeelde obsessies met cultuur, nationaliteit en gezichtsverhullende kleding. Bij de PvdA hoopten ze een tijdlang hun verloren electoraat terug te winnen door populistisch rechts na te doen (Spekman: „We moeten Marokkaanse jongeren vernederen.”). Het verloren electoraat bleef vreemd ongevoelig. De opkomst van de SP leerde later dat je met kritiek op doorgeslagen neoliberalisme een stuk verder kwam.

Bij de laatste verkiezingen hadden de twee grootste middenpartijen hun verhaal eindelijk weer op orde. De extremen waren te extreem, daar was Nederland na tien jaar van schoppen en schelden wel achter. Er kon nog steeds gepolariseerd worden, maar de onvrede was weer naar het midden gekanaliseerd. Roepen vanaf de zijlijn was ineens weer roepen vanaf het speelveld geworden.

Eindelijk.

Maar toen de strijdende partijen elkaar meteen na de verkiezingen lachend in de armen vielen, werd opgemerkt dat het niet zo verstandig was om de tegenstellingen zo te veronachtzamen – pas op, voor je het weet lopen de flanken weer vol.

Dat gebeurde – nog vóór het kabinet op het bordes stond. Nog geen twee maanden na de verkiezingen zijn PVV en SP weer bijna net zo groot als PvdA en VVD. Van stabiliteit geen spoor. Een paar jaar geleden veroorzaakte toenmalig VVD-kamerlid Arend-Jan Boekesteijn ophef omdat hij zich voor een openstaande microfoon beklaagde over de ideeënarmoede van Mark Rutte. Inmiddels is die opvatting gemeengoed.

Ligt het alleen aan hem? Je zou bijna vergeten dat Rutte nog geen twee jaar geleden mateloos populair was, al was het maar omdat hij Balkenende niet was. En dat Balkenende – we moeten nu ver terug – eens populair was omdat hij Wim Kok niet was. Tussendoor was zelfs Wouter Bos nog even populair, omdat hij Ad Melkert niet was.

Iedere keer denkt men dat er een nieuwe wind gaat waaien. Juist die verwachting blijkt onderdeel van een jammerlijk patroon. Vlak vóór de laatste verkiezingen noemde een Engelse journalist van een gerenommeerd weekblad Rutte meewarig „A Balkenende for our times”.

De Nederlandse kiezer zag dat anders. Rutte was toen weer even razend populair, omdat hij Wilders niet was.

Onze tijd is een stuk penibeler dan die van Balkenende. De crisis wordt nu voelbaar. We gaan klappen krijgen. Vervelend om juist dan te merken – ik merk het bij mijzelf– dat je geloof in politiek als een bindende kracht alleen maar afneemt.

Het populisme beloofde ons verlossers, stuk voor stuk jammerlijk mislukt. Nu wil het establishment saamhorigheid in tijden van crisis scheppen. Vanuit de polarisatiestand moet ineens worden omgeschakeld naar de saamhorigheidsstand. Dat gaat ons slecht af. De afgelopen jaren is zo ongeveer iedere bevolkingsgroep tegen elkaar opgehitst – volk tegen elite, meerderheid tegen minderheid, ongelovigen tegen gelovigen, zieken tegen gezonden, werkenden tegen niet-werkenden. Dan wordt solidariteit een lastig begrip; wil je elkaar iets gunnen, dan zal je ook werkelijk een beetje tot elkaar gebracht moeten worden. Best moeilijk iets voor iemand over te hebben wanneer je het gevoel hebt dat hij je niet echt ziet zitten, dat hij het liefst alles waar hij zelf geen gebruik van maakt wil afschaffen.

Verwarrend wordt het pas echt wanneer polarisatie en de oproep tot saamhorigheid door elkaar lopen. Je ziet het bij de rancunesocialist Spekman, die solidariteit opvat als een vorm van dwangverpleging.

Tien jaar lang werd bij ieder politiek voorstel Pim Fortuyn aangehaald, om te laten zien dat men de revolte heus begrepen had. Nu komt om de twee zinnen Willem Drees wel een keer voorbij. Je begrijpt wat ermee wordt bedoeld. Maar het is gemakkelijk sentiment, retoriek zonder gravitas.

Bloed, zweet en tranen. We willen Churchill, we krijgen André Hazes.