Jazzhonger jazz

De jazz-trend van het jaar? Pophelden die jazzverlangens tonen.

Paul McCartney zong dit jaar jazz. En niemand keek er van op. Want heimelijke jazzverlangens heeft tegenwoordig iedereen. Al heel wat popartiesten gingen hem de afgelopen jaren voor; in de vocale jazz is er dit decennium een bijzondere collectie uitgerangeerde popartiesten, slimme trendvolgers, groteske nabootsers en idiote crooner-acts aangespoeld. Van de Britse rocker Rod Stewart, Robbie Williams, Paul Anka, Golden Earrings Barry Hay, Spandau Ballet-zanger Tony Hadley, Gino Vannelli tot de krasse countryveteraan Willie Nelson. Allen in een smoking voor de bigband en met een antieke microfoon op de cd-hoes.

Zo ook dus Sir Paul. Ruim twintig jaar spookte het idee door zijn hoofd, en nooit leek het moment goed. Zijn begin dit jaar verschenen Kisses on the Bottom nam hij op met de hulp van stervocalist, pianist en bandleider Diana Krall. Het werd een lieflijke, maar smetteloze ode aan de muziek uit zijn jeugd, opgenomen met zeker niet de minsten in jazzkringen: bassist John Clayton en gitarist John Pizzarelli, vibrafonist Mike Mainieri, arrangeur Johnny Mandel, het London Symphony Orchestra, en dan nog gastbijdrages van Eric Clapton en Stevie Wonder.

Opvallend: McCartney is alleen zingend te horen en bespeelt zelf geen instrument. En ook bijzonder is hoe hij in het lieve My Valentine, een eigen compositie op Kisses on the Bottom, eigenlijk het geloofwaardigst klinkt.

Nee dan zanger Joe Jackson. Hij vatte zijn bewondering voor componist en bandleider Duke Ellington (1899-1974) dit jaar op The Duke samen. Even wennen, maar dit project sprong er wel uit. Misschien juíst door de wat zelfingenomen manier waarop Jackson nadrukkelijk wegbleef van typische Ellington-elementen als blaasinstrumenten.

Tal van bekende Duke Ellington-standards transformeerden tot songs met een duidelijk Jackson-signatuur: soepel, esthetisch en met een zekere brutaliteit. En, dit soort jazzverkenningen is dan weer zelden zonder gasten: Jackson nam op met artiesten als Iggy Pop en Sharon Jones, jazzsterren als violiste Regina Carter en bassist Christian McBride.

Tot slot, zie daar de jazzschreden van de Britse dandy van de artrock, Bryan Ferry. Hij stak met The Bryan Ferry Orchestra zijn oude Roxy Music-hits in de stijl van de jaren twintig. Maar reken niet op flauwe croonerspogingen. Sterker: Ferry laat de zang helemaal achterwege op zijn bijna te verschijnen cd The Jazz Age. Zijn liedjes moesten „een ander leven gaan leiden, een leven zonder woorden”, aldus de zanger die hiermee zijn 40-jarige jubileum als solo-artiest en lid van de Roxy Music luister bijzet.

Het is de zoveelste, heus weer best charmante stap terug in het verleden – ditmaal naar de (muziek)tijd tussen de twee wereldoorlogen, de door schrijver F. Scott Fitzgerald omschreven Jazz Age. Precies de periode die jazzdiva Diana Krall dit jaar ook, op geslaagde wijze – losjes, ruiger en hoekiger spelend, eerde op haar cd Glad Rag Doll.

Bryan Ferry maakte er een melancholische soundtrack in Gatsby-sfeer van – cham-pagne! –, opgenomen in een nadrukkelijk retrogrammofoonsound. Denk aan Louis Armstrong en Bix Beiderbecke, met blazers als cornet en trompet als leidende instrumenten.

Maar hoeveel ludieks er tussen twee werelden ook nu weer is versmolten, muzikaal zijn al deze cd’s weinig urgent. De uitstapjes hebben de jazzhonger van de popartiesten weer even gestild, en de carrière is weer een zwiep gegeven naar een nieuwe doelgroep.