Is dat 'bewijs' wel eerlijk?

De bewijslast in de zaak tegen Lance Armstrong is in strijd met het internationaal recht, stelt Geert-Jan Knoops.

(FILES) In this photo dated on June 8, 2003 US cyclist Lance Armstrong speaks to the press in Villars-de-Lans, before the start of the first stage of the Criterium du Dauphine Libere cycling event. "Overwhelming" evidence shows Lance Armstrong engaged in the biggest doping conspiracy in sports history to win the Tour de France seven times, the US Anti-Doping Agency (USADA) said on October 10, 2012. AFP PHOTO FRANCK FIFE AFP

De discussie omtrent de vraag of Lance Armstrong, en andere renners, zich al dan niet aan doping hebben schuldig gemaakt, gaat langs de juridische kern van de zaak heen; bewijs voor een beschuldiging behoort op een eerlijke wijze te worden verkregen en de aangeklaagde moet een eerlijke kans krijgen zich hiertegen te verweren. Dit vormt een van de fundamentele pijlers van iedere rechtsstaat. Pas als hierop een bevredigend antwoord is gekomen kan men aan de inhoud toekomen.

Wat schetst echter de verbazing? In de Lance Armstrong-zaak is deze juridische wereld omgekeerd. De ‘veroordeling’ door de USADA van Lance Armstrong vorige maand was gebaseerd op een ogenschijnlijk indrukwekkend rapport dat welbeschouwd voornamelijk is gebaseerd op vijftien beëdigde verklaringen van professionele wielrenners en beëdigde verklaringen van twaalf voormalige teamleden van Lance Armstrong. Het rapport baseert zich voorts op onderzoek naar de bloedwaarden van Armstrong die verdacht zouden zijn. Het gaat om 38 samples verkregen tussen 2008 en 2012 – met bloedwaarden waarvan de waarschijnlijkheid dat deze op natuurlijke wijze kunnen worden verklaard minder dan 1 op 1.000.000 is.

De vraag is of dit als ondersteunend bewijs kan gelden als men zich bedenkt dat de onderzoeker namens de USADA, professor Gore, hiervoor een ongebruikelijke antidopingtest hanteerde. En de vraag is hoe deze aanwijzing zich verhoudt tot de 500 à 600 tests, nota bene afgenomen tijdens de wielercarrière van Armstrong, die juist geen positief resultaat opleverden.

Maar terug nu naar de kern – ook volgens de USADA – van de bewijsvoering: de verklaringen. Wat onderbelicht blijft, is dat de wijze van totstandkoming op gespannen voet staat met meerdere internationaalrechtelijke beginselen die zijn verankerd in (mensenrechten)verdragen – ook door de VS onderschreven.

Centraal argument van de ‘aanklagers’ in de Lance Armstrong-zaak is dat de aard van het bewijs ‘overtuigend’ zou zijn en dat men dus de vraag kan overslaan hoe men hieraan is gekomen. Is dat wel zo?

Regel 3.2 van het USADA-protocol (Annex A) zegt: ‘Facts related to anti-doping rule violations may be established by any reliable means, including admissions.’ Maar wat zijn ‘reliable means’? Dat wordt nergens gedefinieerd. Het zijn zeker geen verklaringen van mederenners die een eigen belang kunnen hebben een ander te belasten in ruil voor bijvoorbeeld immuniteit. In de zaak Lance Armstrong troffen die mederenners een deal met de USADA. Vijf oud-ploeggenoten, die nu nog actief zijn in de Tour de France, zouden hun belastende verklaring hebben afgelegd in ruil waarvoor zij pas in september – na de Tour dus – zouden worden geschorst, en slechts voor een half jaar.

Het Europees mensenrechtenhof heeft dit soort ‘deals’ alleen aanvaard als aan bijzondere juridische waarborgen is voldaan. In de zaak van Johan V. (alias de Hakkelaar) bepaalde het hof dit al: deals moeten transparant zijn willen deze voor het bewijs bruikbaar zijn, waarbij de verdediging voldoende mogelijkheden moet krijgen om aan de getuigen vragen te stellen over het hoe en waarom van zo’n deal. Johan V. klaagde erover dat zijn recht op een eerlijk proces was geschonden, en meer specifiek het principe van ‘equality of arms’. Justitie had namelijk informatie achtergehouden aangaande de financiële beloften aan getuige K., in ruil voor diens verklaring.

In de kwestie van Lance Armstrong kan worden betwijfeld of de ‘overall fairness’ van de gevolgde USADA-procedure ten aanzien van het verkrijgen van dit soort belastende verklaringen wel conform deze mensenrechtelijke bescherming plaatsvond. Het feit dat Lance Armstrong zich kennelijk niet wenste te verweren laat dit onverlet.

Er is nog meer waarom de ‘bewijsvoering’ die door de Union Cycliste Internationale (UCI) zonder meer werd overgenomen, op gespannen voet staat met het internationaal recht. Artikel 2.1.2 van de USADA-regels schrijft voor dat ‘voldoende bewijs van schending van een antidopingregel alleen kan worden vastgesteld door hetzij de aanwezigheid van een verboden stof dan wel haar metabolieten in, kort gezegd, twee monsters van de atleet.’ In deze bewijsregels komt niet het bewijsmiddel van ‘belastende verklaringen van mederenners’ voor, en al helemaal niet die hieromtrent met de USADA een deal zijn aangegaan.

Is hiermee dan wel voldaan aan de ‘burden of proof’ die de USADA zichzelf in artikel 3.1 oplegt? Het gaat om bewijslast die nodig is om een schending van een antidopingregel aan te tonen. Dat hoeft niet keihard te zijn, maar wel bewijs dat een en ander hoogstwaarschijnlijk doet zijn.

Nu de sanctie die USADA kan opleggen de facto een punitief (straf)karakter kan hebben (zoals in de situatie van Lance Armstrong: levenslange schorsing), is ook deze bewijslastregel niet conform de jurisprudentie van het Europees mensenrechtenhof dat een dergelijke ‘zachte’ bewijslast voor de aanklagende autoriteit niet toelaat.

Dit geldt ook voor regel 3.2.4 van de USADA: de antidopingautoriteit mag ‘bewijs’ ontlenen tegen de atleet als deze niet op een hoorzitting verschijnt en weigert vragen te beantwoorden; het natuurrecht. ‘You have the right to remain silent’ is kennelijk niet voor de atleet bestemd.

De pleitbezorgers voor de ‘legitimiteit’ van het USADA-rapport in de Lance Armstrong-zaak zullen verwijzen naar de ogenschijnlijke gedetailleerdheid van de verklaringen. Zij vergeten dat de principiële voorvraag in iedere rechtsstaat is, of behoort te zijn, de vraag of het ‘bewijs’ wel op een eerlijke wijze is verkregen en als zodanig toetsbaar is. Pas daarna komt de inhoud. En gedetailleerdheid is, zo leert het strafrecht, geen equivalent voor ‘waarheid’.

De tijd is rijp dat sporters als Lance Armstrong en andere renners, dan wel atleten, die aan dit soort interne procedures en ‘bewijsregels’ worden onderworpen, de verenigbaarheid ervan laten toetsen door een internationaal mensenrechtenhof of -orgaan. De sportgemeenschap en samenleving is er niet mee gebaat dat atleten op deze wijze nu het predicaat ‘schuldig tot het tegendeel is bewezen’ opgeplakt krijgen, zonder dat de onderliggende procedures getuigen van respect voor ‘principles of natural justice’.

Geert-Jan Knoops is hoogleraar internationaal strafrecht en advocaat bij Knoops’ advocaten te Amsterdam.