In Vlaanderen kijkt het publiek stil weg bij een grove grap

„We spraken dezelfde taal maar begrepen niets van elkaar.” Toch omarmde Vlaanderen Freek de Jonge.

Freek de Jonge in Theater De Bussel in Oosterhout. Foto Merlin Daleman

Het Vlaamse publiek heeft Freek de Jonge (68) vroeg omarmd en beschouwt hem nog altijd als de prominentste Nederlandse cabaretier. De Jonge trad in de jaren zestig al op in de Vlaamse theaters als Neerlands Hoop, samen met Bram Vermeulen. Veel Vlamingen keken toen nog naar de Nederlandse televisie, wat later met de komst van de commerciële zenders veranderde. Vlaanderen verloor gaandeweg zijn belangstelling voor Nederland, zijn kennis van Nederlandse kwesties en zijn vertrouwdheid met het (Noord-) Nederlandse idioom.

Toch stond dat het verdere succes van de cabaretier niet in de weg. Met zijn heldere taalgebruik – waarvoor hij in 2005 de Groenman-taalprijs kreeg van het Genootschap Onze Taal – had hij nooit moeite om zich verstaanbaar te maken.

Uw vader was dominee, u stamt dus uit een traditie van het woord en van geloof in de kracht van het woord. Heeft dat u gevormd als cabaretier?

„Zeker, enorm. Vooral het exegetische gedeelte ervan: lees een tekst en daar duiken we in. Dat roept altijd associaties en nieuwe verhalen op. Ook technisch heb ik veel uit de bijbel geleerd, omdat er zoveel vormen om een verhaal te vertellen in zitten. Je zou mij een geseculariseerd prediker kunnen noemen. Ik wil zeker mijn gehoor ergens bewust van maken.”

Die predikantentraditie heeft Vlaanderen nooit gekend.

„Aan het eind van de negentiende eeuw waren de predikanten zich heel erg bewust van de taak om de massa te verheffen. Ze wilden de mensen bij de kerk houden, als tegengewicht voor waar het socialisme toen mee bezig was. Ik word altijd een beetje boos wanneer dominees worden weggezet als de bron van alle kwaad. Want ze hebben juist aan de emancipatie meegewerkt. De protestantse kerk was veel meer een emancipatorische machine dan de katholieke kerk in Vlaanderen. In de protestantse kerk is het de gewoonte om de nadruk te leggen op het woord en dat zie je nog altijd aan onze talkshows. Ik denk dat het cabaret in Nederland, in toon en in de behoefte om te stichten en te waarschuwen en te tuchtigen, een rechtstreekse voortzetting van de protestantse preek is.”

Zijn die Vlaamse cabaretiers braver dan de Nederlandse?

„Helemaal niet, misschien alleen de vorige generatie, die van Geert Hoste. Maar ook Urbanus vond ik helemaal niet braaf. Hij is authentiek en stijlvast, wat je van een André van Duin niet kan zeggen. Die is ondanks al zijn talent toch vrij ordinair.”

Spreekt u anders wanneer u in België optreedt?

„Ja, ik ben daar wel kameleontisch in. Wanneer ik voor de eerste keer met een voorstelling in Vlaanderen kom, is die nog helemaal Nederlands, maar na vier weken toeren, heeft die een heel andere vorm en karakter gekregen.”

Wat verandert er?

„Je pikt iets op van de sfeer en van de actualiteit, van de manier waarop de mensen naar je kijken als je aan het spelen bent. Je weet waar de lach zit en die zit bij Vlamingen soms ergens anders dan bij Nederlanders.”

Is er iets waarop u bijzonder let?

„Taalkundig? Nee.”

‘Grapkundig’ dan?

„Ook niet. In Vlaanderen zal het publiek niet zo snel ‘ooh’ roepen bij een grove grap, maar eerder stil wegkijken. Ik zie de klanken die het publiek uitstoot als een rituele bevestiging van wat er gezegd wordt. In wezen is dat ook heel erg liturgisch – het ‘amen’.”

Luistert het Vlaamse publiek aandachtiger?

„Die indruk heb ik wel. Dat komt ook doordat voor de Vlaming de taal op zich al meer betekent. Terwijl de taal in Nederland is zoals de theedoek: een gebruiksvoorwerp. In Vlaanderen is taal iets van je trots, zeker als je die goed beheerst.”

Merkt u ook een verschil in taalgebruik? Het Nederlands in Vlaanderen ontwikkelt zich anders dan in Nederland.

„Wat we ervoeren toen we rond 1970 met Neerlands Hoop voor het eerst in Vlaanderen kwamen, is dat we wel dezelfde taal spraken, maar niets van elkaar begrepen. Dat is nu niet meer aan de orde. Er zijn verschillen in betekenissen of uitdrukkingen, maar die heb ik wel paraat en ik ga er moeiteloos in mee. In Vlaanderen klinkt in de taal ook nog wel een soort vorm van respect mee. In die manier waarop je elkaar aanspreekt zit nog een distantie, die in Nederland helemaal weg is.”

Betreurt u dat?

„Iedere nuance die je hebt, zou je moeten benutten, anders krijg je alleen vervlakking. Het verschil tussen tutoyeren en vousvoyeren geeft de taal een schitterende nuance, en de Vlamingen hebben daar ook nog de gij-vorm bij. Maar als je dat laat lopen, verlies je iets wat je nooit meer terugkrijgt.”

Voor een in Nederland heel gebruikelijk woord als ‘pinnen’ bestaan in Vlaanderen alleen omslachtige equivalenten, zoals ‘betalen met een kaart’ of ‘geld uit de muur halen’. Wat doet u daarmee?

„Dat opent de mogelijkheid om zo’n woord te introduceren. En om de omslachtigheid van het andere te laten zien. Maar door het taalpurisme dat in Vlaanderen nog altijd bestaat, worden wij dan wel weer om de oren geslagen met een term die eigenlijk veel beter is dan het Engelse woord dat wij daarvoor hebben aangenomen.”

Hoe belangrijk is taalzorg in uw voorstellingen?

„Daar let ik wel op. Dat heb ik ook in mijn opvoeding meegekregen: taalgevoelig, taalbewust, als de dood om fouten te maken. In Nederland klinkt het nu heel interessant om te zeggen: ‘als cabaretier zijnde’, terwijl het ofwel ‘als cabaretier’ of ‘cabaretier zijnde’ moet zijn. Dat snijdt me toch altijd weer door de ziel. Bij sportcommentaren is het altijd: ‘de definitieve beslissing’, terwijl ‘de beslissing’ al definitief genoeg is. Niemand wijst sportcommentatoren nog op fouten, dat lult maar raak.”

Heeft Vlaanderen een eigen taalpraktijk ontwikkeld?

„Ik heb nog niet het gevoel. Ik trek natuurlijk wel vooral een publiek aan met mensen van mijn leeftijd. Die generatiekloof is er nu eenmaal. Ik gebruik ook toespelingen die jongeren onbekend zijn. Voor mijn generatie is de oorlog iets waarover ik mijn hele leven zal kunnen blijven praten, maar die zegt de jeugd nu echt niets meer.”

De breuklijn is dus eerder in generaties dan geografisch?

„Zeker. Dat is ook de reden waarom de taal zich ontwikkelt. Zo gaat dat nu eenmaal. Bij vorige generaties bestond misschien iets meer respect voor geschiedenis, iets meer behoefte om verbonden te zijn met het verleden. Hechten aan dingen is er niet meer bij. Alles gaat snel en wordt vluchtig.”

Sommigen worden daar heel pessimistisch van.

„Dat is natuurlijk onzin. Al denk ik wel dat nu een grote cultuurscheiding op komst is. We moeten niet denken dat we kunnen voorkomen wat Rome en de Azeteken is overkomen. We gaan teloor en hoe lang we het nog kunnen rekken, weet ik niet.”