Ik ben teleurgesteld in dit hoogmoedige Europa

De Vlaamse schrijver Geert van Istendael houdt op 14 december de Huizinga-lezing. Hij vindt dat Europa „de vloer aanveegt” met sociale zekerheid en diversiteit. „De volkswil wordt straal genegeerd.”

In zijn Brusselse voorkamer staan planken vol sprookjesboeken achter glas. Grimm, Andersen, Moeder de Gans, Italo Calvino’s Fiabe Italiane. En natuurlijk zijn eigen bundel Vlaamse sprookjes. „Dat is de kinderafdeling”, zegt Geert van Istendael. Maar dat meent hij niet. Want tussen de kindersprookjes, die meestal goed aflopen, zijn er genoeg zonder happy end.

Neem Daneelke, over een Vlaamse schipper die zijn eigen hart moet uitsnijden om gelukkig te worden. Niemand kan hem helpen, zelfs de paus niet. Het is een sprookje uit de buurt van Antwerpen, en het werd aan het begin van de vorige eeuw opgetekend uit de mond van een veerman op de Schelde. Maar het is ook een Europees verhaal. Want net als de Duitse ridder Tannhäuser raakt Daneelke in de ban van een vrouw die haar paleis onder een berg heeft, waar hij betoverd wordt. Daar blijft hij een jaar. Odysseus bij Calypso.

„Een bijzonder verhaal”, zegt Van Istendael. „Zonder verfraaiingen tot ons gekomen. Niet moreel opgesmukt. Niet ontdaan van seks. Gezagsondermijnend ook, al helemaal in het katholieke Vlaanderen.”

Het lijkt bij elkaar haast een typering van het eigen werk van de Vlaamse schrijver, dichter en polemist Van Istendael. Zoals Het Belgisch labyrint, het wrangtedere portret van het land dat „van zijn wanstaltigheid een deugd heeft gemaakt”. Of Mijn Nederland, over „de ontbrekende helft van België”, waarin hij Nederlanders met andere ogen naar hun licht absurde samenleving laat kijken. En De zwarte steen, een roman over een toekomstig Europa waarin de welvaartsverhoudingen zijn omgedraaid. Waarin Frankrijk een soort Balkan is geworden en Polen schatrijk. En waar opnieuw een muur staat. Erachter liggen ex-Europese landen die nu Het Onland heten. Als het humor is, is het zwarte humor.

Een vermeend duistere kant van Europa is ook het thema van de 41ste Huizinga-lezing, die Geert van Istendael op 14 december zal uitspreken in de Leidse Pieterskerk. De parochie van Sint-Precarius heet zijn rede, naar de wrede, maar onbegrijpelijk populaire heilige die in Europa volgens hem de dienst uitmaakt: de vrije markt. Daarvoor wordt nu zelfs de sociale zekerheid – volgens Van Istendael een kroonjuweel van de Europese beschaving – geofferd.

Binnenkort ligt ook zijn nieuwste boek in de winkel, Een geschiedenis van België voor nieuwsgierige kinderen (en hun ouders), dat hij samen met Benno Barnard schreef.

Als jongen ging Van Istendael (1947) nog op zaterdag naar school. „Maar ’s middags deed de meester de boeken dicht en vertelde. Dan hing je aan zijn lippen.” Zulk geschiedenisonderwijs is – net als in Nederland – grotendeels verdwenen en vervangen door goedbedoelde ‘wereldoriëntatie’. „Maar wij vonden dat er in de Belgische geschiedenis schitterende verhalen zitten, die kinderen best mogen kennen.”

Wilt u alleen een goede verteller zijn?

„We vinden ook dat geschiedenis een kritische functie heeft. Je hoort tegenwoordig vaak dat ‘er geen alternatief is’, dat ‘het zo moet’. Welnu, de geschiedenis leert je dat er altijd alternatieven geweest zijn. Democratie gaat over keuzes. Geschiedenis is een steunpilaar van democratie. Overal hoor je dat onze sociale zekerheid onbetaalbaar is geworden. Maar als je die afschaft keer je terug naar de negentiende eeuw, dames en heren.”

Was er destijds een alternatief?

„Dat heeft de vakbeweging bewezen. Ook toen werd er gezegd: sociale wetgeving tast de vrijheid van de werkgever aan, het zou verschrikkelijk zijn voor de werkgelegenheid. De argumenten van vandaag zijn echo’s van vroeger. Maar de Sozialversicherung is ingevoerd door Bismarck, een genie van de Realpolitik. Hij nam de socialisten de wind uit de zeilen, cynisch en uit eigenbelang, maar Duitsland was wel de eerste. Wat mij hindert is dat veel werkgevers niet langer beseffen dat sociale zekerheid ook in hun belang is. Wel, vertel ze de geschiedenis!”

Of is het úw geschiedenis?

„Neem de tijd na 1713, toen de Oostenrijkse Nederlanden ongeveer samenvielen met het huidige België. Keizer Jozef II wordt traditioneel geschetst als een onuitstaanbare bemoeial, die iedereen tegen zich in het harnas joeg. Wat klopt. Maar ik laat zien dat het ook een tijd van enorme vernieuwingen was. We stonden aan de spits op het gebied van landbouw, er werd een nieuw, kaarsrecht wegennet aangelegd dat er voor een deel nog steeds ligt. En vooral was er voor het eerst sinds lange tijd vrede.

„Idem dito met de Franse bezetting. Ja, jonge jongens moesten in Rusland gaan vechten. Maar Frankrijk voerde ook het schitterende decimale stelsel in. Al die onhandige oude maten – pinten, duimen, voeten, okshoofden. Dát was het alternatief. Het is beter dingen die je toch moet meten exact te bepalen.”

U schrijft in Een kleine geschiedenis weinig over de EU.

„Ik beschrijf de oprichting, maar het is een geschiedenisboek, geen hedendaagse journalistiek. Dan zou ik mijn ideeën te veel opdringen.”

Bent u teleurgesteld in Europa?

„Ja. In dit hoogmoedige Europa. Ik ben zeer gehecht aan Europa in al zijn verscheidenheid. Maar ik denk dat de leiding van de EU dat aan het verzieken is op een manier die me angst aanjaagt voor mijn kinderen en kleinkinderen door de vloer aan te vegen met verworvenheden als sociale zekerheid en diversiteit.”

U doet alsof Europa onstuitbaar is. Zo goed gaat het toch niet?

„Als ik zeg ‘hoogmoedig’, bedoel ik die jongens en meisjes hier aan het Schumanplein [de zetel van het EU-bestuur]. Als je niet akkoord gaat met een besluit zeggen ze: ‘We zullen het nog eens uitleggen’.”

Het lijkt of u een complot ziet.

„Nee. Ik denk dat men meegaat in een technocratische stroming, die trouwens een constructiefout is uit het begin: te weinig democratie. Europa moet het hebben van het krachtenspel tussen wat men dan noemt de volkswil, die in parlementen wordt uitgesproken, en ideeën die van bovenaf komen. Ik denk dat de volkswil nu straal genegeerd wordt.”

Doordat de EU probeert verschillen glad te strijken?

„Neem de talen waarin de Unie ‘spreekt’. Als je het Engels als werktaal overneemt, wat nu aan het gebeuren is, dan neem je ook een heel ideologische model over. De Angelsaksische hardvochtigheid botst met het sociaal-democratisch model en het botst met de Europese diversiteit. En bovendien smeer je alles dicht met steenkolenengels.

„Je wordt uitgesloten als je daar niet bij hoort. ‘Hij kent geen Engels!’ – dat is een van de ergste dingen die je over iemand kunt zeggen, alsof het een domoor is. Als ik de boekenpagina’s van de kranten lees, denk je dat er buiten het Engels niet meer gedacht of geschreven wordt. Maar ik geef toe dat dat veel verder gaat dan Europa. Je moet naïef zijn als je denkt dat de opmars van het Engels een natuurverschijnsel is. Het is gewíld. Amerikaanse en Britse ambassades in de wereld sturen dat heel discreet, discreter dan de Franse.”

U breekt een lans voor het Frans en de Franse gedachtenwereld. Het was de ‘geheimtaal’ van uw ouders, schreef u ooit, maar u verzet zich tegen het Frans als van bovenaf opgelegde taal.

„Het is dubbel. Ik wil dat niemand mij het Frans ontneemt. Ik heb er hard voor gewerkt om het te leren. Ik spreek en schrijf het graag, ook omdat ik dan niet verantwoordelijk ben voor de uitmuntendheid van de taal, het is de mijne niet, namelijk. Maar je hebt ‘imperialistische’ talen, die andere talen gaan overheersen en, in het ergste geval, uitroeien. Het Frans is zo’n taal, in elk geval geweest. Als in de achttiende eeuw het Discours sur l’universalité de la langue française wordt gepubliceerd, terwijl dan in Frankrijk slechts een minderheid van de bevolking Frans spreekt, dan weet je dat er een onderdrukkingsmechanisme aan de gang is.”

Maar welk idee bestaat er dan alleen bij gratie van het Frans?

„Liberté, égalité, fraternité.”

John Stuart Mill schreef On Liberty toch in het Engels?

„Ja, een beetje later. Maar de Fransen hebben het woord echt over de wereld verspreid. Fraternité was: op voorwaarde dat je Frans sprak. En met de égalité is het inderdaad niet veel geworden.”

Is het Nederlands gedoemd?

„Dat geloof ik niet, tenzij we het opgeven.”

Er verdwijnt elke dag wel een streektaal in de wereld.

„Die gesproken wordt door 500 mensen.”

‘Wij’ zijn maar met 23 miljoen.

„Je weet het niet. Een Hongaarse dichter zei me eens: toen de toren van Babel instortte, vielen alle talen aan scherven en je hebt iedere scherf nodig om een volledig inzicht te verwerven in de mensheid. Ja, talen verdwijnen. Het Hettitisch bestaat ook niet meer. En toch moet je blijven opkomen voor de kleine talen.

„Vlamingen hebben zó lang geijverd voor het behoud van hun taal, en nu ze die hebben en niemand hun nog maar een strobreed in de weg legt, beginnen ze hun taal te verwaarlozen. Een groot maar bouwvallig huis met veel kamers en zolders en gangen die allemaal verschillend zijn. Sommige zijn netjes, andere een mesthoop – dat is het Nederlands.”

U schrijft dat Vlamingen, Walen en Brusselaars te veel met elkaar gemeen hebben om uit elkaar te gaan. Hoe kan dat als de taal nu net datgene is wat hen scheidt?

„Er is meer dan de taal. Hoe woon ik, hoe organiseer ik mijn scholen, het politieke leven, mijn bedrijfje? Bij ons particularisme van al die besturen – de gemeente, het gewest en het federale niveau – kan een Fransman zich niets voorstellen. Ook aan Nederlanders is het moeilijk uit te leggen. Wij proberen onze diversiteit te organiseren. En als we die niet hadden willen erkennen, bestonden we allang niet meer, hoe onhandig we het ook in elkaar gemetseld hebben. Daar kan Europa een voorbeeld aan nemen.”

U lijkt minder kritisch over uw eigen land dan vroeger.

„Ik ben schandelijk bevoorrecht. Ik heb van mijn ouders en mijn land mogen doorleren en beroepen uitgeoefend die ik graag deed. Die voorrechten moet je goed gebruiken. Ten eerste door kritisch naar je omgeving te kijken en die niet te sparen. Dat is je plicht. Aan de andere kant mag je de boel ook niet verketteren, alsof er helemaal niets zou deugen. We zijn een fatsoenlijke democratie, mét haar beperkingen. Als je de schurft hebt aan dit land, moet je weggaan. En overigens kom je dan in een ander land, waar je ook de schurft aan zult hebben.”