Ik at niet, ik las

Eten was vroeger bij Nigella Lawson thuis synoniem voor spanning. De Britse historicus Simon Schama kent de tv-kok al jaren, en praat met haar over geluk – een serieuze zaak.

Mandatory Credit: RICHARD YOUNG / Rex Features Ltd. JOHN DIAMOND WITH HIS WIFE NIGELLA LAWSON EVENING STANDARD FILM AWARDS PARTY, LONDON, BRITAIN - 1997 JOURNALIST RICHARD YOUNG/Hollandse Hoogte

‘Ik ben zo’n stakker dat ik zelfs hunker naar de goedkeuring van mijn tandenborstel”, zegt Nigella. Als ze braaf haar filmsterrentanden een beurt van twee minuten geeft, wordt ze beloond met een glimlach van de tandenborstel in kwestie. „Soms probeer ik daar toch weerstand aan te bieden door na 1 minuut 59 te stoppen, maar dat kan ik gewoon niet.” Ze biecht op dat ze een obsessieve mensen- (of tandenborstel-)pleaser is, maar Nigella heeft er een hekel aan dat veel mensen vinden dat ze ergens gewoon een schaamteloze televisieflirt is, een flirterig, verlekkerd de vingers aflikkend type. „Ik begrijp echt die onzin van dat lacherige geïnsinueer niet.” Het zijn journalisten, mannen, zegt ze, die op jacht zijn naar van die dubbelzinnigheden, met veel geknipoog en gepor. Vrouwen komen naar haar signeersessies en willen met haar op de foto omdat, zegt ze, zij haar niet bedreigend vinden, niet een soort vamp.

Iets in mij wil kreunen: „O, kom op, Nigella.” Maar ik heb dvd’s van haar gezien terwijl ze door de straten van Florence dwaalt in haar tv-serie over Italiaans eten, genaamd Nigellissima en daarna weer bij haar thuis in de keuken, terwijl ze een snelle ansjovis-olijven-kappertjes-citroensaus in elkaar draait voor een speltpasta, een van haar lange vingers in de droppudding steekt, en, heel in de verte, denk ik: ach het is eigenlijk gewoon dat Aardige Joodse Meisje dat ik al jaren ken – een en al warmbloedige uitbundigheid, hese lachjes, een beetje een nuffig preuts typetje onder al dat sexy plezier, eerder een speelkameraadje dan een flirt. „We zijn allebei praters”, zegt ze tegen me en ik onderbreek haar door te zeggen dat geen mens snapt dat Joden met elkaar communiceren door elkaar wederzijds goedgekeurd in de rede te vallen. „Ja, ja”, onderbreekt ze mij op haar beurt, „en dit klinkt een beetje raar, maar ik ben een evangelist. Ik wil alleen maar dat mensen delen in mijn passies en gedachten. Als ik aan mijn lot word overgelaten, kwijn ik gewoon weg.” Overdrijven wij grage praters te veel in het land van het sardonische understatement? „Misschien is zo veel energie heel even meeslepend, maar tegelijkertijd is het uitputtend. Als ik te lang doorga, moeten ze even gaan liggen – en ikzelf ook! Ik word soms doodmoe van mezelf.”

Ondanks haar energieke, sprankelende uitstraling beweert Nigella dat ze één bundel bezorgdheid is, „gedreven door angst”. „Och arme,” zegt haar man Charles (Saatchi), „altijd zó’n last op je schouders.” Ze is niet echt van de godsdienst, maar er zijn ochtenden, biecht ze op, dat ze zegt: „Alstublieft, God, help me door de beproeving van deze dag heen.” Zittend in de herfstzon en kijkend naar de mooie keuken die zowel werkplek als speeltuin is voor Nigella’s kookkunst – roestvrij stalen werkbladen, hele series potten en messen – ziet het er voor mij absoluut niet uit als een beproeving voor haar of wie dan ook.

Buiten de keuken zijn de laatste aanwinsten van haar man te vinden: groepsportretten van astronauten. Ik ken Charles af en aan al langer dan ik Nigella ken. In onze bar-mitswa-tijd hingen wij helemaal strak uitgedost met z’n allen rond bij dezelfde winkel voor gezouten vlees in Golders Green, de wijk in het Joodse noordwesten van Londen, waar ik hem beschouwde als de koning van schaamteloze vermetelheid, heel modieus gekleed, kampioen van de luidruchtige lanterfanters (daar wilde ik ook bij horen). Op Joodse dansavonden zetten we onze zinnen op meisjes met lange wimpers, veel praatjes, donker haar en weelderige vormen, voorlopers van Nigella, hoewel in mijn geval met uitgesproken wisselend succes. Nigella trouwde in 2003 met Charles.

Ik vertel haar wat ik op de dvd’s merkte, dat haar stem in de loop van de tijd zo Joods was geworden. Ze lacht en spreekt het niet tegen. „Dat komt door mijn Joodse echtgenoten.”

Het ziet er misschien uit als het volmaakte leven, maar dat bestaat niet, en als ze nu zo gelukkig is, wie zou haar dat dan kunnen misgunnen? Nigella heeft genoeg echt verdriet in haar leven gehad om nu mazzel te verdienen, mét rente. Drie van haar naasten zijn allemaal op veel te jonge leeftijd aan kanker gestorven: haar moeder (op haar 48ste), daarna haar zuster Thomasina (32) en haar eerste man, de journalist John Diamond, in 2001 op zijn 47ste. Hij was een van de geestigste mensen die ik ooit heb gekend, en zo bleef hij, in elk geval onder vrienden. Toen John door keelkanker zijn strottenhoofd was kwijtgeraakt, krabbelde hij grappen op een schrijfblok, terwijl hij met een ondeugende grijns wachtte tot wij lachten. Nigella had hem bij The Sunday Times ontmoet, waar ze eerst bevriend raakten voordat het meer werd. „Ik vond hem mijn type niet. Ik ging altijd uit met suffige intellectuelen, dus toen hij een nieuwe bumper op mijn auto zette, moest ik nog eens diep nadenken. Ik had nog nooit een Joods vriendje gehad en uiteindelijk kreeg ik twee Joodse echtgenoten.”

Johns beroemde artikelen over zijn ziekte waren moeilijk om te lezen en nog moeilijker om er geen bewondering voor te kunnen opbrengen. Maar ik heb me vaak afgevraagd of het publiceren van een privé- en gezinsdrama (ze hadden samen twee kinderen, Cosima, nu 18, en Bruno, nu 16 jaar) niet moeilijk was voor Nigella. En dat was het. „Hij had toegestemd in de tv-documentaire zonder overleg met mij. Hij zei alleen: ‘Ach, ik heb er wat aan’, en dus zei ik natuurlijk: ‘Oké, als dat zo is’. Mensen zeiden dat John de strijd aanbond met zijn ziekte, maar ik vond dat hij die als werk ging zien, en uiteindelijk was hij zo kwaad, maar nou ja, wie zou dat niet zijn?”

Er valt een treurige pauze in een vrolijke spraakwaterval. Ik vraag of ik foto’s mag zien van de jonge Nigella en er komt een hele stapel tevoorschijn: Nigella op Oxford, chic gekleed als Koningin van de Nacht met lange strakke nethandschoenen en een hoed met de veren van een vermoorde spreeuw erop. Maar er zijn er veel meer van Nigella als kind, in matrozenpakje met haar broertje Dominic, haar uiterste best doend om blij te zijn. Meestal was ze dat niet. De twee dingen waardoor wij allemaal zo van haar houden (praten en eten) deed ze helemaal niet. „Ik at nooit. Ik zat alleen maar te lezen en in mezelf te praten, al het andere vond ik alleen maar hinderlijk. Mijn moeder dacht dat ik autistisch was.”

Die moeder, Vanessa Salmon, was een telg uit de Engels-Joodse levensmiddelendynastie die eigenaar was van J. Lyons & Co, een reusachtig instituut in het Groot-Brittannië van na de oorlog. Ze was, zoals te zien is op de foto’s, tenger, donker, mooi, en voor haar oudste dochter gevaarlijk en grimmig. „Ik had het gevoel dat ik het nooit goed kon doen voor haar.” „Was ze kil?”, vraag ik. „Nee, helemaal niet! Ze was grappig, maar ze had last van depressies en was heel gevoelig voor geluid. Van het geluid van een plastic zakje dat wordt verfrommeld, werd ze helemaal gek. Dan schreeuwde ze naar ons allemaal en zei: ‘Ik sla je tot je gaat huilen’, en dus huilde ik nooit. Doe ik nog steeds niet. Het was niet iets weloverwogens; het was vurig slaan, de dingen eruit meppen. Op een keer moest ze stoppen met Dominic te slaan omdat ze haar hand pijn had gedaan. Ze mocht me gewoon niet. Misschien, omdat ik na Dominic was gekomen, het prinsje, en ik mijn vaders meisje was, was ze jaloers, wie zal het zeggen. Ik zei dan dat het me speet, wat er ook was gebeurd, en zij zei dan: ‘En jij denkt dat het een excuus is als je je hoofd niet gebruikt?’”

En dan de goed uitziende vader, Nigel Lawson, voorbestemd voor iets groots in de regering-Thatcher, maar destijds een ambitieuze journalist. „O, de achtergrondmuziek van mijn jeugd was het geluid van een schrijfmachine en mijn moeders ‘Stil, lieverd, papa zit te schrijven’. ’s Morgens strekte hij zich als een pasja uit op de chaise longue met de kranten, en ’s avonds als ik zat te leren, kwam hij thuis, en omdat hij niet graag alleen dronk, zei hij dan: ‘Lieverd, kom bij mij wat drinken terwijl je je huiswerk doet, een whisky of een campari-soda.’ Dat deed ik dan. Geweldige opvoeding, hè?”

Terwijl Vanessa totaal onvoorspelbaar was, een driftige furie, was Nigel relaxt en ijdel, slim en charmant. „Ik was op school zo stout en thuis zo rustig dat, toen ik slechte rapporten kreeg, mijn ouders ervan overtuigd waren dat ze het over het verkeerde kind hadden. Maar toen zei mijn vader: ‘O lieverd, ik ben zo blij dat het zo zit; je kunt veel beter stout op school zijn en lief thuis.’ Toen ze geen van beiden ooit op de ouderavonden kwamen, zei Nigels daarover: „Maar dat is juist goed, want dan zullen de leraren met je te doen hebben dat je zulke afschuwelijke ouders hebt.”

Áls ze al eens met haar ouders at, thuis in Chelsea, was de sfeer gespannen: ze wachtten op de meedogenloze uithaal van Vanessa’s woede. „Het was net als bij kinderen van alcoholistische ouders die meteen weten dat ze hebben gedronken: we wisten altijd onmiddellijk of het erg zou worden.” Maar als ze elders was, zette Nigella haar overvloedige talent voor geluk, de elfjesgrijns van het kleine meisje op de foto’s, aan en straalde ze. Rond haar negende en tiende zat ze vaak in de flat van de Duitse lesbische kinderjuf en haar vriendin, die de kinderafdeling runde van Dillon’s, de boekhandel in Bloomsbury.

Toen stortte alles in, ook bij J. Lyons. Het probleem was, zegt Nigella, dat het mannen waren, die de zaak runden, mannen van de tweede generatie die niet meer streefden naar succes. „Je kent ze wel: onbeduidende, rustige mannetjes die naar kantoor gaan, terwijl de vrouwen krachtige types waren, maar die mochten niets doen, en dus werden de mannen steeds minder vindingrijk en gingen ze failliet.”

Ze zegt dit geëmotioneerd, en ik weet zelf ook wel iets van dat verhaal. Na een moeilijke periode werd mijn eigen luidruchtige en talentvolle moeder bevrijd en kon ze aan het werk en veel goeds doen, maar Vanessa bleef ‘het kleine meisje’. Nadat Vanessa en Nigel waren gescheiden, was er enige mate van toenadering tussen moeder en dochter toen Nigella 19 was, en later zorgde Nigella, toen ze in de twintig was en het huis uit, voor haar terminaal zieke moeder.

Maar als het geschreeuw verstomd was, kwamen er nog steeds merkwaardige dingen uit Vanessa’s mond. Wegterend vertelde ze Nigella dat dit de enige periode in haar leven was dat ze niet depressief was en de enige periode dat ze zich geen zorgen hoefde te maken over eten. „Ik ben zo opgelucht dat je volwassen bent”, vertelde ze tijdens een lunch, „want als ik nu zelfmoord zou willen plegen, zou het niet zo erg zijn als toen je nog een kind was”. „Kun je je voorstellen dat je zo met je kind praat, hoe oud dat ook is? Maar tegen het einde zei ze: ‘Zet maar in de kranten dat het kanker was, anders denkt iedereen dat het zelfmoord was, wat het ook is, zoals jij en ik weten.’”

Tegen die tijd was Nigella echter uit de schaduw van haar moeder gestapt, hoewel ze zich soms zorgen maakt dat ze wat van haar moeders demonen heeft geërfd, zelfs haar depressieve natuur (waar ik nooit iets van heb gezien), maar waarvan ze zegt dat die haar soms drijft tot „anhedonie, het onvermogen plezier aan iets te beleven”. Ze vocht zichzelf uit de ellende door haar intellectuele bagage op school op te doen. Toen het familiekapitaal verloren was gegaan, kon ze niet langer op chique scholen blijven, ook niet op kostschool. „Lieverd”, had Nigel eerder gezegd, „hoe zou je het vinden om naar kostschool te gaan?” „Dat wil ik niet.” „Mooi, je gaat na de vakantie.”

Nigella ging naar school vlak bij het kiesdistrict van haar vader, en dat kwam goed uit, ook al was de school meer voor de „geestelijk gehandicapte dochters van industriëlen uit de Midlands”. Ze was gek op de leraren en die beantwoordden haar affectie met wijsheid en aanmoedigingen. Godolphin & Latymer, de school waar ze naartoe ging toen het fortuin was verdampt, was zelfs nog beter. En ze werkte wanneer en waar ze maar kon. Ze loog over haar leeftijd (14) om een baantje te krijgen bij Ravel, de schoenenzaak in Kensington High Street. Daarna was ze assistent-archiefbediende bij de luchtvaartdivisie van Shell en uitzendkracht en serveerster. Nog altijd – Nigella is nu 52 – is ze er enorm trots op dat ze zelf door hard werken gekomen is waar ze nu is. In haar tussenjaar was ze met iemand van school naar Florence gereisd, waar ze verder niemand kende en waar ze een baantje kreeg als kamermeisje in een hotel. Dankzij een vriendje, Fortunato, leerde ze wat Italiaans. „In het zaakje waar we ontbeten, zeiden ze altijd: ‘Fortunato? È veramente fortunato!’”

De vlotte, zelfverzekerde, naar ideeën smachtende, intellectueel avontuurlijke Nigella was al uit de knellende cocon gekropen van de narigheid thuis, maar na Oxford was de metamorfose compleet. Ze versmaadde de „puisterige jongens die alleen maar over cijfers wilden praten” en omdat Nigella geen zin had in talen die ze al sprak (Duits en Frans), las ze Italiaans, en wentelde zich („Ik was gek op wentelen”) in Dante, Petrarca en Cavalcanti. Ze zat urenlang in een klein leeszaaltje in de bibliotheek van het Taylor Instituut.

In haar tweede jaar begon ze te koken: pánnen vol voor de jonge en hongerige medestudenten. In de overdekte markthal kocht ze zakken uien en aardappelen met een lamsborst, samen voor 25 pence: „Alleen maar vet, je kunt dat nu niet meer krijgen, het gaat naar de shoarmazaken.” Af en toe pepte de kok de soep op met een scheutje Benedictine-likeur. Ik kijk haar met afschuw aan: „Tja, we hadden geen wijn.”

De tweedejaars Nigella die de leiding had over een stel uitgehongerde medestudenten, die zouden we wél herkennen. Want niet haar betovering (wat voor een krachtige magneet die ook is) is het geheim van de genegenheid die lezers en kijkers voor haar hebben, maar haar diepe bron van authentieke vriendelijkheid. Dáár gaan haar kookkunsten over: als ík het kan, kan jij het ook, en stop al dat ceremonieel maar waar je de vulling van de kalkoen in doet. Het is geen corvee, het is een genoegen en het verhoogt de geluksindex meer dan je ooit kunt bedenken. „Ik zeg elke ochtend tegen Charles: ‘Wat wil je vanavond eten’, en hij zegt dan: ‘O, wat voor jou het makkelijkst is’; ik snap er niks van dat het iemand niet uitmaakt wat hij te eten krijgt.”

Geluk – afkomstig van ideeën, schrijven, koken, eten – is, neemt ze aan, een serieuze zaak, het enige wat de moeite waard is. Soms maakt ze zich zorgen dat ze ondanks alle nare dingen een verwend zondagskind is. Maar aan de andere kant zei haar grootmoeder Rosemary, die haar overstelpte met liefde en eten, altijd als Nigella zachtjes protesteerde dat ze te veel verwend werd: „Welnee, lieverd, een echt aardig karakter kun je niet bederven.” Dat kunnen wij alleen maar beamen.

Simon Schama is historicus en vaste medewerker van de Financial Times. Vertaling: Ingrid Ottevanger

Nigellissima – De Italiaanse keuken lekker en snel is in Nederland verschenen bij Uitgeverij Atlas Contact (vertaling Henja Schneider), € 29,95.