Het geheim van de stal

Een ras behouden zonder inteelt gaat niet. Maar met te veel inteelt krijg je erfelijke gebreken, van waterhoofden tot verstoppingen van de slokdarm. Het vorstelijke Friese paard wankelt op zijn benen.

Ahoy Rotterdam, vorig weekend. De Spaanse Rijschool uit Wenen treedt op met ‘het ballet der witte hengsten’. In het voorprogramma een show van Friese hengsten. Twee kenners van het Friese paard kijken het hoofdschuddend aan. Zegt de een: „Waar is de veerkracht gebleven, de elasticiteit, het temperament?” Zegt de ander: „Waar is het paard gebleven? Wat hebben ze gedaan met het ras?”

Het Friese paard geniet internationale faam als sierlijk dier met edel hoofd en krachtige, verheven gang. Achter dat vorstelijke uiterlijk gaat een hel aan fysieke ellende schuil.

Ruim een eeuw inteelt heeft het Friese paard een reeks erfelijke gebreken bezorgd. Een waterhoofd, waarbij het veulen in het ergste geval uit de baarmoeder van de merrie wordt gezaagd. Dwergveulen. Slokdarmverstopping. Aortaruptuur, een hengst bloedt dood doordat een slagader scheurt. Staart- en maneneczeem. Een rectumruptuur, waarbij de darmen scheuren. Afwijking aan de kleine hersenen: het veulen komt als een zombie ter wereld waarna het binnen enkele dagen overlijdt. Studies over het Friese paard vermelden meer dan twintig erfelijke gebreken.

Erfelijke gebreken zijn maar één van de bijeffecten van inteelt. Het ras boet in aan levenskracht. Paarden leven korter. Ze worden makkelijker ziek. Inteelt ondermijnt ook de vruchtbaarheid. De helft van de aspirant-fokhengsten wordt afgekeurd wegens te lage spermakwaliteit. Bij de helft van de merries komt na de bevalling de nageboorte niet spontaan los, de dierenarts moet die uit de baarmoeder pellen. Daarna moet de merrie inwendig worden gespoeld, soms dagen lang..

Paardenarts Siebren Boerma uit het Friese Garijp sloeg tien jaar geleden alarm. In 2009 trad hij met zijn kritiek naar buiten. Hij waarschuwde dat het Friese paard aan inteelt ten onder gaat.

De Koninklijke Vereniging Het Friesch Paarden-Stamboek (KFPS) bestaat sinds 1879 en is daarmee het oudste paardenstamboek van Nederland. Ook het op een na grootste, met 12.000 leden en 60.000 paarden, verspreid over de hele wereld. En met veruit de hoogste inteelt.

Inteelt hoort bij een stamboek als vlooien bij een straathond. Een stamboek is als een uitgebreide familie die geen buitenstaanders duldt. Vreemdgaan levert bastaarden op.

Hoe groter de familie, hoe groter de populatie aan paarden, hoe kleiner de kans op inteelt. Dat gaat binnen een stamboek maar in beperkte mate op. Een stamboek selecteert de paarden die het meest voldoen aan het ideaalbeeld. Dat zijn er niet meer dan vier, vijf per jaar. Samen met eerder goedgekeurde hengsten hebben zij het monopolie op de levering van sperma. Een klein aantal hengsten ‘bedient’ een groot aantal merries.

Topfokkers gebruiken alleen merries die het stamboek heeft gekeurd en waardig bevonden door ze een erepredicaat te geven: ‘ster’, ‘kroon’ of ‘model’. Elke merriehouder streeft naar een stamboekcertificaat vol ‘sterren’. Dat heet ‘vol papier’.

Inteelt hoeft niet te leiden tot verzwakking van het ras. Als ze maar beperkt blijft. Inteelt wordt nooit minder, zolang je binnen het ras blijft fokken. Vers bloed van een ander paardenras doorbreekt de inteelt. Maar dat is vloeken in de kerk van het stamboek. Dat is het einde van het Friese ras.

De inteeltgroei bij het Friese paard is al generaties te hoog. Tot 2010 zelfs hoger dan de 1 procent die de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties als bovengrens hanteert. Dat betekent volgens de organisatie dat het ras met uitsterven wordt bedreigd.

Begin 2003 kwam het stamboekbestuur met een reddingsplan. „Op basis van noodkreten uit de praktijk.” Het bestuur bepleitte „een wetenschappelijk gefundeerd fokbeleid” en grootscheeps onderzoek naar erfelijke gebreken. Hoe ernstig zijn ze? Hoe vaak komen ze voor? Financieel wanbeleid en een heftige bestuurscrisis torpedeerden dat ambitieuze plan.

Sinds 2003 bepaalt directeur Ids Hellinga het fokbeleid van het stamboek, samen met de fokkerijraad en het bestuur. Kritische fokkers noemen hem ‘Keizer Ids’. Ze zeggen dat hij geen tegenspraak duldt.

Ze verwijten hem dat hij de gezondheidsproblemen in het ras niet adequaat aanpakt. Dat doen ze fluisterend, nooit in zijn gezicht. Ze zijn bang te worden afgestraft. Lopend door hun stal, wijzen ze op de paarden die bij de keuring door het stamboek geen erepredicaat kregen. „Omdat ik te kritisch was. Niet het paard wordt gekeurd, maar de eigenaar.”

Hellinga wijst erop dat het stamboek een onafhankelijk jureringssysteem kent. Hij gaat daar niet over. Sommige leden zijn volgens hem liever klokkenluiders dan dat ze een positieve bijdrage leveren aan het stamboek. Gefrustreerden, vol rancune. „Er is geen stamboek dat zoveel doet aan beperking van inteelt als wij.”

Maar klopt dat? Eén van de twee methoden die het stamboek daarvoor gebruikt, levert maar „een beperkte bijdrage” aan vermindering van de inteeltgroei, constateerde de Tilburgse hoogleraar Siem Korver augustus vorig jaar in een rapport over inteeltbeheersing, in opdracht van het stamboek. Dat kan veel effectiever.

Anderhalf jaar later weten de meeste van de 12.000 leden van het stamboek niet van het bestaan van het rapport. Het bestuur verwerpt de conclusies, maar heeft het rapport nooit verspreid en er in het verenigingsblad Phryso nooit aandacht aan besteed. Pas volgende week vrijdag komt het rapport in de ledenraadsvergadering aan bod bij de bespreking van het inteeltbeleid.

Leden van de ledenraad moesten zes maanden geleden nadrukkelijk vragen om een exemplaar van het rapport. „De ideeën van de heer Korver over inteelt worden niet gedeeld door het bestuur en dus niet overgenomen”, staat in de notulen van die bijeenkomst. „Het voert te ver om daar tijdens deze vergadering een toelichting op te geven.”

De kritiek van Korver op het inteeltbeleid kan voor het stamboek onmogelijk als een verrassing zijn gekomen, zegt emeritus hoogleraar Ben Colenbrander, gespecialiseerd in de vruchtbaarheid van het mannelijk paard. Hij heeft het bestuur vijf jaar geleden al gewaarschuwd. „Aan een toelichting had het stamboek geen behoefte. Dat deed me pijn. Het welzijn van het ras gaat me aan het hart.”

„De nieuwe kleren van de keizer.” Zo omschrijft hij het stamboekbeleid als het gaat om het terugdringen van inteelt.

Hellinga verweert zich. „We zijn niet naar buiten gekomen met Korvers rapport, omdat het niet op de meest recente wetenschappelijke inzichten is gebaseerd en we ons beleid toch niet aanpassen. Voor dat besluit hebben we geen verantwoording afgelegd aan onze leden omdat ze ons toch al vaak verwijten dat we te technisch zijn. Ik besef dat daarmee de indruk kon ontstaan dat we informatie achterhouden en discussie schuwen. Dat is niet zo.”

Intussen blijft hij bij zijn boodschap: „Ons inteeltbeleid werkt.” Hij wijst op een rapport uit 2009 van geneticus Bart Ducro, die vaststelt dat de inteeltgroei terugloopt door de maatregelen van het stamboek. De inteeltgroei is de afgelopen jaren gedaald tot 0,7 procent in 2012. Nog altijd in de gevarenzone, maar niet meer terminaal.

Hoe betrouwbaar zijn die cijfers, vraagt emeritus hoogleraar Colenbrander zich af. Bij de berekeningen baseert Ducro zich op veel hogere aantallen veulens dan vermeld staan in de jaarverslagen van het stamboek: 20 procent hoger in 2009.

Directeur Hellinga heeft wel een verklaring. Dat zit hem in het verschil tussen geboren en geregistreerde veulens. Volgens Colenbrander klopt dat niet.

Ook andere cijfers in de jaarverslagen roepen vragen op. Wat verklaart het grote verschil tussen het aantal dekkingen en het aantal veulens dat het jaar daarop geboren wordt? Dat scheelt ruim eenderde. Blijft meer dan een derde van de gedekte merries ‘gust’: niet-drachtig? Of worden veulens met een foutje weggemoffeld? Al de waterhoofden en andere erfelijke gebreken: slachtoffers van inteelt. De „berg ellende” waar paardenarts Siebren Boerma in 2009 al schande van sprak. Hij pleitte voor kruisen met andere rassen ter wille van de gezondheid van het Friese Paard.

Het stamboek verweet hem dat hij overdreef. Maar niemand kent het aantal miskramen, vroeggeboorten en misbakselveulens als gevolg van inteelt, erkent directeur Hellinga. Er bestaat geen verplichte registratie. In een brief aan hengstenhouders uit 2007 kondigde Hellinga zelf dat jaar „ongeveer 50 waterhoofdveulens en 30 dwergveulens” aan. Hij waarschuwde dat het aantal veulens met erfelijke gebreken exponentieel zou groeien bij ongewijzigd beleid. In werkelijkheid is dat aantal volgens de directeur juist gedaald. Hij zegt dat er dit jaar maar tien zijn geregistreerd

Fokkers hoor je niet over de wangedrochten die hun merries baren. Dat is slecht voor de naam van de merrie en slecht voor de naam van de hengst. Ze gooien het met de hengstenhouder op een akkoordje. Het geheim van de stal.

Stamboekdirecteur Ids Hellinga laat in een reactie weten dat volgens hem dit artikel „een pijnlijk tendentieus beeld” geeft. „Bovendien wordt het beleid, dat tot aantoonbaar succes heeft geleid, in het stuk verwrongen tot een karikatuur. Hetzelfde geldt voor het beeld dat van het Friese paard wordt neergezet.”