Herkomst zwarte helper

Van tijd tot tijd staat deze rubriek stil bij Wezen en Waarde van het Sinterklaasspel, dat is een traditie van het Algemeen Handelsblad die teruggaat tot vóór 1880. Al een paar keer ging het over die merkwaardige Zwarte Piet.

De laatste stand van zaken (AW, 2010) is dat de negerhelper van Sint Nicolaas pas in 1850 verscheen, en wel in een prentenboek-met-tekst van de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman. De knecht die daar opduikt ziet er nog volkomen normaal uit, hij rijdt paard, net als S.N. en doet allerlei verstandige dingen. Misschien dat zijn kleding een beetje typisch was. Pas later is het een raar mannetje geworden.

Niemand weet waarom Schenkman de Sint opeens een helper gaf, en waarom dat uitgerekend een zwarte helper moest zijn. De auteurs van De kleine Olympus (KNAW, 2008) stellen zich voor dat de tekenaar van de prenten een artistieke behoefte had aan een zwarte tegenspeler.

Ook wordt gesuggereerd dat net rond 1850 zwart personeel in de mode raakte, misschien wel omdat ook toen al Amerika de toon aangaf. Jaap Engelsman, die vaker aan deze rubriek meewerkt als oude woorden en woordbetekenissen in het geding zijn, herinnerde zich dat de ‘uit de West gekomen’ familie Kegge uit de Camera obscura zwart personeel had. De geschiedenis van de familie Kegge was al in 1840 voltooid, mailt hij, maar hij werd pas in 1851 in de Camera opgenomen. Dat ligt mooi in het kritische gebied.

Wat er in het hoofd van Schenkman is omgegaan zal wel altijd een raadsel blijven. Wat wel het onderzoeken waard is is de vraag of S.N. vóór Schenkman echt geen helper had. Of Schenkman wel echt de eerste was die zijn eenzaamheid doorbrak. Het vreemde is dat buitenlandse Sinterklazen (Nicolas, Nikolaus, Samichlaus e.a.) altijd wél een helper hadden. Dat is dan zonder uitzondering een boeman of een duivel, heel vaak een geketende duivel, zoals ook veel heiligen in vroegere eeuwen wel met een geketende duivel werden afgebeeld. St. Bernard is bijvoorbeeld zo op internet te vinden.

Zo is het probleem opeens: hoe kwam onze S.N. zonder tegenspeler te zitten, of zat hij helemaal niet zonder. Nu het scannen en digitaliseren van oude kranten, lectuur en literatuur een hoge vlucht heeft genomen, nu kan ook de thuisonderzoeker moeiteloos meewerken aan beantwoording van deze vraag.

De AW-research van afgelopen week heeft geen uitsluitsel gegeven. Niet één van de kranten uit het mooie digitale krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek (kranten.kb.nl) brengt S.N. vóór 1850 in verband met een knecht of helper. Dat was dus een veeg teken. Het oog viel verder op Het oude Nederlandsche lied van de Vlaming Florimond van Duyse (deel 2, 1905) waarin een onwaarschijnlijke hoeveelheid oude en oeroude Sinterklaasliederen is afgedrukt. In geen ervan is sprake van een helper of tegenspeler.

De auteurs van De kleine Olympus hebben ook niemand gevonden. Opeens schoot bovendien te binnen dat de Sinterklaas die in de achttiende eeuw in Amerika arriveerde en uiteindelijk als een obese Santa Claus op een slee met rendieren terecht kwam ook niemand naast zich had. Er kwam geen duivel mee uit het moederland, omdat die daar vermoedelijk al niet meer was. Geschrapt door de zuiveraars van de Reformatie? De katholieke Nicolaas heeft hier heel lang heel moeilijk gelegen.

Dus al eeuwen lang helemaal alleen kinderen verwennen? Dat is ook weer niet zo zeker. Twee jaar geleden is er hier op gewezen dat in het gedicht De Sint-Nikolaasavond van P.A. de Génestet het ‘rinkinken van een keten’ klinkt. Het gedicht stamt vermoedelijk uit 1849 en de vraag is dus: wie liet die keten rinkelen. Lezers schreven destijds dat ook in andere versjes ketenen voorkwamen. Wat verder te denken geeft is dat er volgens het Meertens Instituut vóór de naam ‘Zwarte Piet’ gangbaar werd al allerlei regionale benamingen voor de helper in gebruik waren: Nicodemus, Assiepan, Hans Moef en ook gewoon Jan de Knecht. Allemaal streeknamen voor een knecht die er niet was? Hier moet toch iets recht gezet worden.

Een heel andere kwestie is de vraag waarom en wanneer de naamloze knecht die Jan Schenkman in 1850 introduceerde uiteindelijk die naam Zwarte Piet kreeg. De eerste suggestie is natuurlijk dat het verwijst naar het duivelse karakter van de helper. In Nederland en Vlaanderen werd de duivel behalve Joost of Heintje Pek wel ‘Zwarte Piet’ genoemd. Maar de relatie met de duivel wordt nergens helder.

Het blijkt dat de aanduiding ‘Zwarte Piet’ in de negentiende eeuw heel veel werd gebruikt, het net genoemde krantenarchief van de KB toont dat aan. Paarden, katten en anonieme geldschenkers tekenden met Zwarte Piet, er was een ontzettend leuk blijspel met de naam Zwarte Piet dat tientallen jaren is opgevoerd, een enkele boef of verdronken visser bleek Zwarte Piet te heten en Suze Andriessen schreef een heel boek dat ‘De zwarte Piet’ heette. Ook een vrijstaande kachel werd wel Zwarte Piet genoemd.

Maar het bekendst was de naam Zwarte Piet toch van het zwartepietenspel dat de kranten al sinds 1855 veelvuldig noemen. Het is waarschijnlijk afgeleid van het Duitse ‘Schwarzer Peter’ dat Jaap Engelsman in 1821 voor het eerste vermeld vond. De verliezer van dat spel was de speler die een schoppenboer over hield, hij moest een rondje bier betalen. Was het een kind dan werd zijn neus zwart gemaakt. Voor kinderen werd al vroeg een speciaal kaartspel gemaakt, met een aparte kaart die de functie van schoppenboer overnam. Volgens de site van het Historisch Overzicht Nederlandse Gezelschapsspellen (hong.vlinden.com) staat er al zeker sinds 1900 een neger op die kaart.

Zo komt een mens tot het vermoeden dat Zwarte Piet naar het zwartepietenspel is genoemd. Volgens het krantenarchief heette de zwarte helper eerst Pieter-me-knecht (1876 en later) en veranderde dat pas later in Zwarte Piet (eerste vermelding in 1895, Het nieuws van den dag). Dat is misschien net op het moment dat de zwartepiet van het zwartepietenspel een neger werd.

Enfin. De leukste ontdekking was misschien nog dat de helper van S.N. in Nederlands Indië tussen 1880 en 1900 steevast Nicodemus werd genoemd. Niks niet Zwarte Piet. Hier moet iets uit zijn af te leiden.