Gunst van goden ging - de regen ook

Antropologie Waardoor raakten Mayasteden in verval? Door droogte, bevestigt nieuw onderzoek, en door andere handelsstromen.

A series of stepped pools and waterfalls emanate from Semuc Champey, Guatemala, March 18, 2012. Semuc Champey, which in the language of the Maya means JAMES BARRINGER/Hollandse Hoogte

Het centrale heuvelland van het schiereiland Yucatán, dat nu is bedekt met dicht regenwoud, was in de eerste acht eeuwen van onze jaartelling een cultuurlandschap. Er lagen tientallen steden, met tempelpiramides, paleizen en marktpleinen, en honderden gehuchten. Op de hellingen waren terrassen aangelegd om erosie te voorkomen en kunstmatige bassins hielden regenwater vast. Laag gelegen drasland was ingedijkt. Boerenhuizen hadden ommuurde boomgaarden en in de bufferzones tussen steden lagen stroken beheerd bos, met vooral economisch nuttige bomen.

Zo zag het hartland van de Mayacultuur, nu het grensgebied van Mexico, Guatemala en Belize, er uit in wat mayanisten de Klassieke Periode noemen. Die begon rond 250, toen vorstelijke dynastieën op het toneel verschenen. De Maya als volk bewoonden een veel groter gebied dat zich uitstrekte tot in Chiapas, Guatemala en Honduras. En daar wonen ze nog steeds. In de Klassieke Periode was het kernland georganiseerd in netwerken van stadstaten onder leiding van koningen en een kleine aristocratische elite.

Tussen 800 en 1000 voltrok zich hier een reeks dramatische gebeurtenissen, die tegenwoordig worden aangeduid als de ‘Maya collapse’. Er werden geen monumentale bouwwerken meer opgetrokken, koningen verdwenen, steden liepen leeg en de bevolking nam met 90 procent af. Dit gebeurde niet overal in Yucatán; steden dichter bij de kust of aan rivieren, zoals Lamanai en Chichén Itza, bleven bestaan en kwamen zelfs tot bloei. Aan de precolumbiaanse Mayabeschaving kwam pas een einde met de Spaanse verovering in de zestiende eeuw.

Archeologen en antropologen hebben voor de ineenstorting van het Maya-hartland allerlei verklaringen bedacht. Twee grote stadstaten, Tikal en Calakmul, voerden in de zesde en zevende eeuw oorlog en betrokken via allianties andere Mayakoningen bij hun conflicten. Al dat krijgsgeweld, dachten sommige onderzoekers, zou te veel mankracht en middelen hebben onttrokken aan de landbouw. Anderen schreven de ineenstorting toe aan opstanden tegen stedelijke elites. Sporen van verbrande tempels en kapotgeslagen tronen zouden hier op wijzen. Een enkeling speculeerde, zonder een schijn van bewijs, dat epidemieën de bevolking hadden gedecimeerd.

In 2000 publiceerde de Texaanse antropoloog en ondernemer Richardson B. Gill het boek The Great Maya Droughts – Water, Life and Death. Daarin wijt hij de ineenstorting van het hartland aan klimaatverandering. Een langdurige periode van droogte zou hebben geleid tot honger en massale sterfte en zou een kettingreactie op gang hebben gebracht, die uitliep op ineenstorting. Gill ging af op analogieën met andere historische droogten en op macromodellen van klimaatverandering, niet op waarnemingen in het oude kernland zelf. Hij kon dan ook niet met zekerheid zeggen of de door hem als catastrofaal voorgestelde droogte echt zo ernstig was geweest dat hij de doorslag gaf bij de ineenstorting.

Zulk onderzoek ter plaatse is de afgelopen tien jaar wél gedaan, door wetenschappers van velerlei herkomst. Alleen al in 2012 verschenen drie publicaties met nieuwe bevindingen, twee in Science en één in de Proceedings of the National Academy of Sciences.

De Mexicaan Martín Medina-Elizalde en de Brit Eelco Rohling, beiden als klimaatonderzoekers verbonden aan de universiteit van Southampton, deden de afgelopen jaren metingen op vier plaatsen in het oude hartland van de Maya: drie meren en een druipsteengrot. Zij publiceerden de resultaten in Science (23 februari 2012). Met isotopenonderzoek registreerden ze in stalagmieten van de grot en in meerafzettingen gelijktijdige episoden waarin het waterpeil van de meren met 30 procent was gedaald en de jaarlijkse neerslag met 40 procent was afgenomen, waarschijnlijk als gevolg van uitblijvende zomerstormen. Daardoor verdampte er in die jaren meer water dan er neersloeg en slonk het beschikbare oppervlaktewater snel.

Die afnemende neerslag bleek samen te vallen met de periode waarin de stedelijke Mayasamenlevingen in het gebied uiteenvielen. De twee zien hierin sterke aanwijzingen voor een verband tussen klimaatverandering en de ‘Maya collapse’. “De zomerse regens”, zei Medina-Elizalde in een interview, “waren belangrijk: voor de landbouw en voor aanvulling van de zoetwatervoorraden in de reservoirs. Er zijn geen rivieren in het heuvelland van Yucatán. Watertekort kan leiden tot sociale ontwrichting en ontvolking van steden, zeker omdat de tijd die verstreek tussen episodes van droogte steeds korter werd.”

Bevolkingsexplosie

Op 9 november verscheen in Science een artikel, geschreven door een internationaal team geologen, klimaatwetenschappers en antropologen, dat de gelijktijdigheid van droogten en sociaal-politiek verval nog nauwkeuriger in beeld brengt (zie grafiek). De onderzoekers stelden een klimaatkalender met hoge resolutie samen. Dat deden ze aan de hand van tweeduizend jaar oude druipsteenformaties in de grot Yok Balum, op vijf kilometer van de oude Mayastad Uxbenka, in het zuiden van Belize.

Ze vergeleken die ‘kalender’ met de gedetailleerde kronieken die zijn uitgehakt in bouwwerken van de Mayasteden in het gebied. Die kronieken geven een nauwkeurige datering van oorlogen, koninklijke huwelijken en troonsbestijgingen. Het einde van deze geschreven traditie, ergens tussen 800 en 1000, markeert de ineenstorting van het politieke systeem van de Klassieke Periode.

Eerste auteur van het artikel is Douglas Kennett, hoogleraar antropologie aan de University of Pennsylvania. “Ongewoon overvloedige regens”, schrijft hij per e-mail, “zorgden voor een toename van de voedselproductie en een ware bevolkingsexplosie tussen 450 en 660. Als gevolg daarvan verrezen in het hartland grote stedelijke centra als Tikal, Copan en Caracol. De nieuwe klimaatdata laten zien dat op deze heilzame periode vier eeuwen volgden met langdurige droogten, die een daling van de voedselproductie tot gevolg hadden en bijdroegen tot maatschappelijke fragmentatie en politieke ineenstorting. In de twee eeuwen na 800 slonk de stedelijke bevolking en verloren de Mayakoningen hun macht en invloed.”

Niet iedereen is overtuigd. ‘Monocausale verklaringen van de “Maya collapse” zijn achterhaald’, schreven de Amerikaanse sociale wetenschappers Jeremy Sabloff en en B.L. (‘Billie’) Turner eerder dit jaar (Proceedings of the National Academy of Sciences, 21 augustus). Aan de hand van de intussen rijke literatuur concluderen zij dat de ineenstorting niet één enkele oorzaak had – klimaatverandering – maar het gevolg was van een complexe interactie van klimaat, menselijke ingrepen in het landschap, een kwetsbaar natuurlijk milieu en sociaal-economische veranderingen. Én van menselijke interpretaties van die gebeurtenissen en daaruit voortvloeiende beslissingen.

Er bestond in de Klassieke Periode een broos evenwicht tussen hoge bevolkingsconcentraties in en rond de steden en het tropische milieu. Stadstaten als Tikal (in het huidige Guatemala) en Calakmul (nu in Mexicaans Yucatán) hadden tegen die tijd zo’n 50.000 inwoners, en het aan de rand van het hartland gelegen Caracol (nu in Belize) had er meer dan 100.000. Om deze centra, bevolkt door boeren, aristocratische hofhoudingen, priesters, schrijvers en handwerkslieden, te kunnen voeden, werden bossen omgezet in bouwland, kunstwerken aangelegd om regenwater op te vangen en werd drasland in cultuur gebracht.

De bodems van tropisch Yucatán zijn kwetsbaar, want ondiep; in het hartland zijn geen rivieren; oppervlaktewater is schaars; het grondwater zit diep en boeren zijn afhankelijk van seizoensregens. In de twee millennia sinds de kolonisering van het centrale heuvelland waren de Maya vertrouwd geraakt met dit milieu, hadden ze een intensieve productiewijze ontwikkeld en zeker twee perioden van langdurige droogte doorstaan.

Niettemin, schrijven Turner en Sabloff, wijst het bodemarchief op een toenemende druk op het milieu in de Laat-Klassieke Periode, zo rond het jaar 700. Het aantal stuifmeelkorrels van bomen is dan spectaculair – met 90 procent – gedaald, en in plaats daarvan vinden we sporen van maïs en varens. De sterk geslonken boombedekking blijkt ook uit verandering in bouwmateriaal: balken in monumenten worden kleiner, want bomen worden al jong omgehakt.

Half vergaan stro

Een gekrompen bladerdak vangt minder fosforhoudend stof, een bodemnutriënt, uit de atmosfeer. De steeds uitgestrekter bebouwde oppervlakte leidt tot minder infiltratie van regenwater en bodems spoelen sneller weg. Om de productiviteit op peil te houden wordt het verlies aan fosfor in de bodem gecompenseerd met meer arbeidskracht, mest en half vergaan stro. Gelijktijdig met deze oplopende druk op het milieu neemt de neerslag gestaag af.

Turner en Sabloff werpen de vraag op of door dit complex van factoren een kritische drempel is overschreden, met als gevolg een culturele ineenstorting en ontvolking. De Maya hadden al eerder, vóór de Klassieke Periode van grote koningssteden (250-800), te maken gehad met droogten. Maar het is mogelijk dat de obstakels om het systeem in stand te houden en uit te bouwen in de loop van de Laat-Klassieke Periode (700-800) zo groot waren geworden, dat ze uiteindelijk besloten dit niet te doen en weg te trekken.

Bij die beslissing lieten ze zich waarschijnlijk niet alleen leiden door acute water-, voedsel- en brandstofproblemen, zeggen Turner en Sabloff. Volgens hen speelden politieke, ideologische en sociaal-economische factoren een even grote rol als klimatologische en ecologische omstandigheden.

Het viel de Maya-elites, een klein percentage van de bevolking, steeds zwaarder om hun macht en de daarmee gepaard gaande rijkdom te legitimeren. Hun machtsmiddelen waren controle over de handel, hoogwaardige kennis (schrift, astronomie, bouwkunde) en een speciale band met de goden. Die laatste moest blijken uit hun vermogen om met succes problemen op te lossen. En die problemen werden alleen maar groter.

Bovendien deden zich ingrijpende veranderingen voor in de lange afstandshandel in obsidiaan tussen Midden-Amerika en Centraal-Mexico, tussen de Caraïbische Zee en de Golf van Mexico. Die handelslijn liep eeuwenlang door het hartland van de Maya, wat hun koningen hoge inkomsten opleverde. Maar tegen het jaar 800 lijkt die zich te hebben verplaatst naar de zeeroute om het schiereiland heen. Het is mogelijk dat deze verschuiving juist een gevolg was van de ineenstorting van het hartland, maar hij sloeg in ieder geval een gat in de koninklijke begrotingen, waardoor het onderhouden van monumenten, van de complexe agrarische infrastructuur en van een leger heel moeilijk werd. En dat terwijl de opbrengsten van de landbouw terugliepen als gevolg van uitblijvende regens.

Het charisma van de koningen verbleekte en ze raakten hun controle over de samenleving kwijt. Boeren en handwerkslieden trokken weg uit de steden in het heuvelland om hun geluk elders in Mayaland te beproeven. In strijd met de beweringen van Gill zijn er tot nu toe geen aanwijzingen gevonden voor grootschalige hongersnood en sterfte ten tijde van de grote exodus.

Sommige wetenschappers hebben bedenkingen bij de term ‘ineenstorting’ voor de gebeurtenissen die zich in de negende eeuw afspeelden in het hartland van de Maya. Niettemin werden de steden, de waterwerken en door mensenhand aangelegde landschappen verlaten en daalden de bevolkingscijfers met wel 90 procent. Het economische zwaartepunt van de Mayacultuur verplaatste zich van het hoger gelegen binnenland naar de lager gelegen kuststreken en een enkele rivier in het binnenland van Yucatán. Dat was ook het vestigingspatroon dat de Spanjaarden aantroffen aan het begin van de zestiende eeuw. Het hoger gelegen binnenland was toen dun bevolkt en overdekt met bos. Na de exodus herstelde het milieu van het centrale heuvelland zich goeddeels, maar het was in één opzicht veranderd: de bevolking kwam niet terug.