Europa is niet in verval: vijf mythen De levenskwaliteit is in de Europese economieën de beste uit de menselijke geschiedenis

De zoveelste eurotop komende week wekt de indruk van een Europa in verval. Dit beeld is niet juist. Het continent staat er juist goed voor, vindt Wereldbankeconoom Indermit Gill.

Europa heeft een slechte pers gehad. De Grieken en Italianen zijn verketterd wegens het in gevaar brengen van de euro, en IJsland, Ierland, Portugal en Spanje zijn bekritiseerd wegens hun roekeloze financiële beleid. Eindeloze topconferenties in Brussel hebben niet geholpen – het lijkt soms of Europa’s eigen leiders de schitterende prestaties van het eigen economische model niet ten volle appreciëren, van het project dat zij weer gezond proberen te maken. Ondertussen wordt Europa door de Amerikanen en Aziaten steeds meer gezien als een sloom, of zelfs verwend continent. Maar dit is een foute diagnose, en vijf verkeerde ideeën hebben hiertoe aanleiding gegeven.

De eerste mythe: Europa is in verval.

Feitelijk is dat niet zo. Eén manier om dat vast te stellen is aan de hand van de omvang van de Europese economie, het bruto binnenlands product (bbp). In de eerste jaren van deze eeuw is het Europese aandeel van de mondiale productie gelijk gebleven, op ongeveer 30 procent, terwijl het aandeel van de Verenigde Staten is gedaald van 31 naar 23 procent. De afgelopen twee decennia is het Europese bbp met ongeveer 2 procent per jaar gestegen, iets meer dan dat van de Verenigde Staten, waarbij sommige landen van de Europese Unie het een stuk beter hebben gedaan. Ierland werd sinds de toetreding tot de Europese Unie een van de tien rijkste landen ter wereld en staat ondanks de crisis nog steeds in de top tien. Na de val van de Berlijnse Muur, toen de communistische landen van Oost- en Midden-Europa markteconomieën kregen en hun economische banden met het Westen herstelden, zijn hun economieën harder gegroeid dan de rest van de wereld, op China na. In Polen is het inkomen per hoofd van de bevolking bijvoorbeeld gestegen van 2.000 dollar in 1990 naar ruim 13.000 dollar vorig jaar.

Ierland en Polen zijn geen uitzonderingen; Europa is een bedrijvig continent. Het speelt een rol in bijna de helft van de wereldhandel in goederen en diensten. Tweederde daarvan blijft in Europa, en dit zou wel eens één van zijn meest aantrekkelijke kenmerken kunnen zijn: de regionale handel heeft armere landen in Europa geholpen aansluiting te vinden bij de rijkere, waardoor Europa zich met gemak heeft kunnen ontwikkelen tot de beste omgeving voor opkomende economieën. Tussen 1970 en 2009 zijn de armere Europese economieën met bijna vier procent per jaar gegroeid, en zelfs de rijkere met bijna twee procent per jaar. Dit is een spectaculaire vooruitgang: de Amerikaanse groei van ongeveer 1,8 procent, over een hele lange periode, heeft de Amerikaanse economie tot de grootste van de wereld gemaakt.

Tijdens de afgelopen paar decennia hebben de Europeanen een ‘convergentiemachine’ uitgevonden die zijn gelijke niet kent, in Europa of daarbuiten. Net zoals de Verenigde Staten arme immigranten opnemen en ze omtoveren in huishoudens met hoge inkomens, heeft de Europese Unie arme landen opgenomen en er economieën met hoge inkomens van gemaakt. Om in andere delen van de wereld welvarend te worden, moest een land buitengewoon veel geluk hebben, door bijvoorbeeld olie aan te boren – zoals Saoedi-Arabië – of de consumptie en de burgerlijke vrijheden op te offeren – zoals de Oost-Aziatische ‘tijgers’. Maar in Europa heeft louter gedisciplineerd zijn – het solvabel houden van regeringen aan de hand van redelijke regels – een dozijn landen sinds het midden van de jaren tachtig geholpen ontwikkelde economieën te worden.

De tweede mythe: de Europese financiën zijn de slechtste ter wereld.

Het zou feitelijk wel eens omgekeerd kunnen zijn. Geld moet stromen van de rijkere, trager groeiende economieën naar armere en sneller groeiende economieën. Maar in een groot deel van de wereld hebben we precies het tegenovergestelde gezien – laten we dat het ‘China-syndroom’ noemen. Landen die geld hebben gestuurd naar West-Europa en de Verenigde Staten hebben het beter gedaan dan landen die hebben geprobeerd te doen wat verstandig lijkt – in het buitenland lenen, in eigen land investeren en sneller groeien. In Europa gedraagt kapitaal zich op een manier die economen graag zien: Oostenrijkse, Franse, Italiaanse en Zweedse spaargelden worden geïnvesteerd in Bulgarije, Tsjechië en Polen, hetgeen beide partijen ten goede komt. Het bankwezen in landen die nog maar een paar decennia geleden communistisch waren, is nu het meest geavanceerde ter wereld. Zo nu en dan wordt geld verkeerd gebruikt – geconsumeerd in plaats van geïnvesteerd – maar voor ieder land waar dit is gebeurd, zijn er in Europa twee landen waar het geld goed is besteed.

Regeringen, bedrijven en huishoudens met te veel schulden zijn rondom de Middellandse Zee talrijk, maar veel zeldzamer in Midden- en Noord-Europa. Helaas zijn financiële ongelukken net als vliegtuigongelukken zeer spectaculair, en de weinige landen die buitenlands kapitaal op een slechte manier hebben gebruikt, krijgen alle aandacht. In veel meer landen in Europa hebben buitenlandse spaargelden miljoenen geholpen aan de armoede te ontsnappen.

De derde mythe: Europese ondernemingen hebben veel concurrentiekracht ingeleverd.

De cijfers vertellen een ander verhaal. Terwijl Azië eind jaren negentig een stevige economische crisis onderging, gevolgd door een grote hausse, en de Verenigde Staten een productiviteitsrevolutie bewerkstelligden, gevolgd door een spectaculaire financiële crisis, hebben Europese ondernemingen stilletjes gebloeid. Tussen 1995 en 2009 hebben de ondernemers van West-Europa sneller banen gecreëerd dan hun Amerikaanse collega’s. De Europese economieën hebben ook meer van hun producten geëxporteerd dan Brazilië, Rusland, India en China, en bedrijven in Oost-Europa hebben hun productiviteit veel sneller zien stijgen dan die in Oost-Azië.

Zeker, Europa heeft een probleem. Maar dat komt door de tegenvallende prestaties van een paar landen. Het afgelopen decennium is de productiviteitsgroei in Griekenland, Italië, Portugal en Spanje negatief geworden. Nu de markten en de instellingen van het continent zo nauw zijn geïntegreerd – in dit geval delen de vier genoemde landen zelfs een gemeenschappelijke munt – kunnen economische slippertjes in slechts een paar landen snel tot problemen leiden in andere.

Duitsland heeft laten zien hoe de economische integratie kan worden gebruikt om een mondiale leider te worden. Geholpen door pragmatisch ingestelde vakbonden en door hervormingen van de sociale voorzieningen in eigen land, zijn de Duitse ondernemingen concurrerender geworden door de overname van bedrijven en het vinden van partners in Oost-Europa. Zij hebben voormalige staatsbedrijven in landen als Tsjechië veel efficiënter gemaakt en ze steeds moeilijker opdrachten gegeven. Franse en Italiaanse ondernemingen doen hetzelfde in Roemenië en Turkije, omdat het een goed bedrijfsmodel is. Volkswagen heeft tien jaar geleden Škoda gekocht, en vorig jaar boekte het concern een recordwinst van 21 miljard dollar, terwijl de autoproducenten in de Verenigde Staten en Japan het zwaar te verduren hadden. Dit jaar is Volkswagen het grootste autoconcern ter wereld geworden.

De vierde mythe: de Europese overheden zijn te groot.

Dat hangt ervan af. Europese overheden zijn groter en geven ongeveer 10 procent méér van hun bbp uit dan niet-Europese overheden. Dit is voor het grootste deel het gevolg van het feit dat ze meer besteden aan sociale voorzieningen, zoals AOW en werkloosheidsuitkeringen. Dit is de kern van het Europese sociale model. Het heeft Europa geholpen ’s werelds supermacht te worden op het gebied van ‘lifestyle’: op grond van de meest objectieve maatstaven is de levenskwaliteit in de geavanceerde Europese economieën de beste uit de menselijke geschiedenis.

Maar er zijn twee neveneffecten opgetreden: het model heeft geleid tot minder prikkels om te werken en heeft een zware wissel getrokken op de overheidsfinanciën. Net als in de VS, Japan en Zuid-Korea heeft meer welvaart betekend dat mensen korter werken en langere vakanties hebben, maar in veel Europese landen moedigen de royale sociale voorzieningen mensen aan eerder met pensioen te gaan, terwijl ze langer blijven leven. Franse mannen gaan nu negen jaar eerder met pensioen dan in de jaren zestig en leven gemiddeld zes jaar langer. Geen enkel pensioenstelsel kan zo’n grote verandering opvangen, tenzij mensen meer arbeidsuren per week maken en meer weken per jaar werken. In de jaren zeventig werkten de Fransen veel meer uren per week dan de Amerikanen. Vandaag de dag is het omgekeerde het geval.

Met 10 procent van de wereldbevolking en 30 procent van de mondiale economische productie neemt Europa ongeveer 60 procent van de mondiale uitgaven aan sociale voorzieningen voor zijn rekening. Tenzij hier iets aan wordt gedaan, zal het voor Europa onmogelijk worden het meeste te halen uit een beroepsbevolking die de komende vijf decennia met een miljoen individuen per jaar zou kunnen slinken.

De vijfde mythe: Europa moet zijn economisch model aan de dijk zetten.

Europa moet zijn benadering aanpassen, maar niet overboord gooien. Sommige delen van het model, zoals handel en financiën, werken goed, ook al kunnen ze nog worden verbeterd. De handel in digitale diensten zou veel omvangrijker kunnen zijn als de Europese economieën allemaal soortgelijke regels zouden hebben, en de financiën zouden stabieler kunnen zijn als de toezichthouders meer met elkaar zouden samenwerken. Dit begint nu te gebeuren.

Andere onderdelen van het model, zoals het bedrijfsleven, doen het in veel landen goed, hoewel de regeringen in Griekenland, Italië en Spanje het ondernemingsklimaat moeten verbeteren. Maar Zuid-Europa is de uitzondering en niet de regel: ruim de helft van de top dertig van landen waar je het beste zaken kunt doen, bevindt zich in Europa. IJsland en Ierland behoren zelfs tot de top tien. Griekenland staat op de honderdste plaats – zijn grootste probleem is niet een overgewaardeerde munt of ontoereikende publieke investeringen, maar de regelgeving die het lastig maakt er zaken te doen.

De Europeanen zijn bang dat ze niet zo succesvol zijn als de VS in de ‘nieuwe economie’, bij ontstentenis van jonge reuzenbedrijven als Apple, Google en Microsoft. Maar om innovatiever te worden, hoeven de grotere Europese economieën zoals Frankrijk, Duitsland en Engeland niet over de Atlantische Oceaan heen te kijken. Zij kunnen ook te rade gaan bij hun noordelijke buurstaten. Denemarken, Zweden en Finland staan bovenaan op de ranglijst van meest innovatieve landen ter wereld, en zelfs het kleine Estland heeft als broedplaats gediend voor een mondiaal succesnummer als Skype. Dat is ze gelukt door een paar elementen aan het Amerikaanse systeem te ontlenen: een gestaag aanbod van universitair geschoolde werknemers, regels op het gebied van de financiering van onderzoek en ontwikkeling die universiteiten en bedrijven dwingen samen te werken, en respect voor intellectuele eigendomsrechten. Het probleem is dat hun economieën niet dezelfde omvang hebben als die van Texas. De oplossing is niet moeilijk; een gemeenschappelijk Europees patentrecht en een efficiëntere gemeenschappelijke markt voor digitale apparatuur zouden een heel stuk schelen. Dit zou snel zijn beslag kunnen krijgen.

Het is de Europese benadering van werk en overheid die moet veranderen, en liefst snel. Sommige landen hebben laten zien hoe dit kan. Geconfronteerd met een economische crisis begin jaren negentig heeft Zweden zijn sociale zekerheidsstelsel opnieuw ingericht en de regelgeving voor bedrijven versoepeld, waardoor het als rolmodel kon dienen voor andere noordelijke economieën, zoals Finland. Begin deze eeuw heeft Duitsland – de ‘zieke man’ van Europa – zijn economische stelsel een opknapbeurt gegeven en buurstaten als Slowakije geïnspireerd hetzelfde te doen. Het is tijd voor de mediterrane landen om in hun voetstappen te treden.

Oproepen tot bezuinigingen in Europa worden vaak gepareerd met het argument dat Zweden heel veel overheidsuitgaven kent, terwijl de economie toch groeit. Maar sinds de economische crisis in het land begin jaren negentig hebben de Zweden het heel duur gemaakt om werkloos te blijven of vroeg met pensioen te gaan, en veel makkelijker om een bedrijf te beginnen en belasting te betalen. En ze hebben ervoor gezorgd dat de belastingbetalers waar voor hun geld krijgen in het onderwijs, de gezondheidszorg en andere publieke voorzieningen. Andere Europeanen zullen serieus de optie ‘minder overheid’ moeten onderzoeken, totdat hun overheden net zo goed worden gerund als die van Scandinavië. Wat uitzonderlijk is in Europa is dat buurstaten die beter af zijn bereid zijn crisislanden de helpende hand toe te steken.

De Europeanen zullen enige grote veranderingen moeten doorvoeren, maar gebleken is dat het Europese model wel degelijk kan functioneren. De Europese leiders zouden zich bewust moeten zijn van de kracht en prestaties van het Europese project en van zijn zwakten en mislukkingen – zodat ze niet alleen weten wat ze moeten veranderen maar ook wat ze moeten bewaren. De critici van Europa zullen moeten inzien dat de grootste successen en de snelste oplossingen altijd méér en niet minder Europa hebben betekend.

Indermit Gill (Patiala, India, 1961) is hoofdeconoom voor Europa en Eurazië bij de Wereldbank. Samen met Martin Raiser heeft hij leiding gegeven aan het team dat verantwoordelijk is voor het rapport ‘Golden Growth: Restoring the Lustre of the European Economic Model’ (www.worldbank.org/goldengrowth). Dit artikel stond in het herfstnummer van Europe’s World (www.europesworld.org).