Een kaars voor het beste effect

Aflevering 61: over het chiaroscuro van Caravaggio en Rembrandt.

Saul en David van Rembrandt. ©

‘Caravaggio-Rembrandt: 0-1.’ Onder deze kop verscheen een jaar of zeven geleden in de Volkskrant een bespreking van een tentoonstelling die het werk van de twee grootste lichttovenaars uit de schilderkunst met elkaar vergeleek. Rembrandt, bijgenaamd ‘de Caravaggio van boven de bergen’, werd tot winnaar uitgeroepen; maar dat was omdat zijn bijbelse taferelen ‘ruwer, rauwer en vreemder’ waren dan die van Caravaggio, ‘de Rembrandt van Italië’. Had de recensente geoordeeld op basis van hun toepassing van het chiaroscuro, oftewel de licht-donkereffecten, dan was het een gelijkspel geworden – al moet je daar meteen aan toevoegen dat Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610) ouder was dan Rembrandt van Rijn (1606-1669) en een bewezen invloed op diens werk uitoefende.

Dat wil overigens niet zeggen dat Caravaggio het chiaroscuro heeft uitgevonden.

De oude Grieken kenden al de ‘skiagrafia’, waarbij diepte en volume werden gesuggereerd door het werken met schaduw. In vereenvoudigde vorm werd dat overgenomen door Byzantijnse kunstenaars en doorgegeven aan de laatmiddeleeuwse (miniatuur-)schilders uit Vlaanderen en Italië. Zo is er een aandoenlijk schilderijtje van de Haarlemse Geertgen tot Sint Jans, De geboorte van Christus (1490), waarop de gezichten van Maria en de engelen worden verlicht door het Christuskind in de kribbe, terwijl op de achtergrond een andere engel vanuit de hemel de herdertjes bij nachte aanlicht.

Vele laaglanders en Italianen experimenteerden met de techniek die later ook wel bekend zou worden als clair-obscur. Maar het was Caravaggio die er aan het eind van de zestiende eeuw zijn handelsmerk van zou maken. Brekend met het wat stijve maniërisme van schilders in de voetsporen van Michelangelo en Rafaël concentreerde hij zich op felrealistische voorstellingen met dramatische lichteffecten. Voor de San Luigi dei Francesi-kerk in Rome schilderde hij zowel de roeping als de martelaarsdood van Mattheüs, waarvan vooral de eerste indruk maakte door de ‘gewoonheid’ van het tafereel en het effect van de lichtbundel die van rechtsboven komt. Een jaar later, in 1601, maakte hij voor de Santa Maria del Popolo een schilderij van de kruisiging van Petrus waarop niet alleen de zwoegende beulen en de oplichtende heilige in het oog springen, maar ook de vieze voeten van de man op de voorgrond.

Caravaggio was al in zijn eigen tijd berucht om het werkelijkheidsgehalte van zijn bijbelse voorstellingen; zijn Bekering op weg naar Damascus werd gekritiseerd omdat het paard opvallender in beeld was dan de uit het zadel geworpen Saulus; het afgehakte hoofd van de reus in zijn David en Goliath was een zelfportret; zijn Dood van de Maagd mocht niet opgehangen worden in een karmelietenklooster omdat hij een bekende prostituee als model had gebruikt.

©

David en Goliath. Het afgehakte hoofd was een zelfportret van Caravaggio. ©

Maar nog invloedrijker dan zijn realisme was de manier waarop hij werkte met licht. De Italiaanse Artemisia Gentileschi deed het hem na, bijvoorbeeld in Judith onthoofdt Holofernes, waarin het licht precies valt op het gruwelijkste gedeelte van de voorstelling. Maar de beste verbreiders van zijn erfgoed waren de Utrechtse ‘caravaggisten’, Italië-gangers als Hendrick ter Brugghen en Gerard van Honthorst die dol waren op nachttaferelen bij kaarslicht.

Uiteindelijk was het een schilder van de volgende generatie die het chiaroscuro zou perfectioneren; die er zelfs zijn voornaam aan zou lenen. In ‘rembrandtesk’ licht schilderde Rembrandt Harmenszoon niet alleen talloze bijbelse voorstellingen, van Abraham en Isaak en Saul en David tot De maaltijd in Emmaüs en Petrus in de gevangenis, maar ook portretten en landschappen. En zelfs schuttersstukken, zoals zijn beroemdste schilderij De Nachtwacht (1642). In De compagnie van kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh maakt zich gereed om uit te marcheren, zoals het schilderij officieel heet, zie je goed de uitwerking van de belichting op de kijker. De lichte elementen fungeren als volgspots: eerst wordt je oog getrokken naar de in goudgeel geklede Van Ruytenburgh, dan naar het kleine meisje dat oplicht op het tweede plan, dan naar Banning Cocq op de voorgrond of de schutter die zijn musket staat te laden en uiteindelijk naar de figuur die half afgesneden aan de linkerkant in een laatste restje licht baadt.

De lichteffecten geven dynamiek aan Rembrandts groepstaferelen, en ook aan zijn portretten (waarop de schaduwen bovendien psychologische diepte suggereren). Licht en donker is een winning combination, zoals wel duidelijk zou worden in de jaren na Rembrandt – en zijn Vlaamse tegenhanger Peter Paul Rubens. Schilders als Jean-Honoré Fragonard (La balançoire, 1767), Joseph Wright of Derby (An Experiment on a Bird in the Air Pump, 1768), Francisco Goya (‘de Zwarte Schilderijen’, ca 1820) en Eugène Delacroix (La Mort de Sardanapale, 1827) imiteerden Rembrandt en de caravaggisten op sublieme wijze. En hun erfenis werd doorgegeven aan filmers als Francis Ford Coppola (The Godfather, 1971) en Stanley Kubrick, die de binnenopnamen van zijn historiefilm Barry Lyndon (1975) bij kaarslicht liet maken om de beste schaduweffecten te realiseren.

In de twintigste eeuw bleek ook dat je niet eens kleur nodig had om het pure clair-obscur te bereiken. De filmers uit het pionierstijdperk – expressionisten als Robert Wiene en F.W. Murnau – werden er populair mee, terwijl zowel stads-, portret- en naaktfotografen er de wereld mee veroverden. Zelfs de documentaire nieuwsfotografie is ervan doordesemd. In de laatste decennia is het herhaaldelijk voorgekomen dat een rembrandteske foto de World Press Photo of the Year werd. Vierhonderd jaar na Caravaggio is het chiaroscuro bijna cliché geworden.