Dweilen voor een paar dollars

Sprinttalent Mitch Whitmore verdient niets met schaatsen. Hij dweilt zijn centen bij elkaar als chauffeur van de Zamboni - tussen de trainingen door.

Mitch Whitmore schatert het uit als hij terugdenkt aan twee weken geleden, toen hij tijdens de nationale afstandskampioenschappen in Milwaukee voor het eerst Amerikaans kampioen werd, op de 500 meter. „Voor honderd, hooguit tweehonderd toeschouwers. Maar dat zijn dan vooral ouders van kinderen die op het middenterrein ijshockeyen of kunstschaatsen. Natuurlijk, die wedstrijden gaan gewoon door tijdens onze trials.”

Amerikanen en de langebaan – het blijft een bijzondere combinatie. Ze zien liever opspattend ijshockey-ijs, elegante kunstrijdsters of een wroetende kluwen shorttrackers. En toch, elke keer als de Winterspelen naderen, produceert het land-zonder-langebaancultuur weer schaatsers van wereldklasse: Eric Heiden, Bonny Blair, Dan Jansen, Joey Cheek, Derek Parra, Chad Hedrick, Shani Davis – om eens een paar olympisch kampioenen te noemen. „Dat komt omdat Amerikaanse schaatsers gemotiveerder zijn dan anderen”, zegt Whitmore (22), die al in Vancouver (2010) door Heiden werd getipt als één van de grote sprinters voor de toekomst. „Je doet het niet voor het geld. Dat is er niet. Als een Amerikaan schaatst houdt hij écht van die sport.”

Whitmore weet er alles van. Hij ging ooit schaatsen omdat hij een sport zocht voor de winter, om fit te blijven voor het atletiek- en voetbalseizoen. „Via een krantenadvertentie kwam ik bij de ijsclub in Milwaukee. Eerst drie jaar shorttrack, daarna langebaan. Dat kan ik beter. En het is minder een loterij dan shorttrack, waar niet altijd de beste wint.”

Dat hij talent had, was al snel duidelijk. Hij was net 16 jaar toen hij een 10.000 meter reed in 14.26,87, sneller dan Heiden ooit was. Dat laatste feitje kende hij niet, tot een Nederlander hem dat eergisteren vertelde.

Maar jonge sporters dromen over de Spelen. „In het begin denk je zelfs dat je schaatsmiljonair wordt”, zegt Whitmore. Maar zijn trip naar Heerenveen, deze week, levert het huishouden van de familie Whitmore precies nul dollar op. De Amerikaanse bond betaalt alleen de reis en het hotel, in de bossen bij Steenwijk.

Maar klagen doet hij niet. Voor ‘Vancouver’ verdiende Whitmore – tussen de trainingen door – wat dollars bij als Zamboni-bestuurder in het Pettit National Ice Center, de baan waar hij deze maand nationaal kampioen werd. Zoals ploeggenoot Trevor Marsicano in niet-olympische jaren borden waste in een restaurant. Whitmores roomie Tucker Fredricks, die vóór de Amerikaanse huizencrisis een appartement kocht in Salt Lake City – doet wekelijks mee aan de loterij. „Er gaat meer uit dan er binnen komt”, weet hij.

Zo kort voor de Spelen is werken geen optie. „Ik verdien nu niks”, zegt ook Whitmore. „Mijn ouders steunen me. Na elk seizoen denk ik: ga ik door met schaatsen, of moet ik niet eens gaan studeren? Ik kan mijn ouders niet om geld blijven vragen. Je kunt niet, zoals Bob de Jong, eeuwig doorschaatsen. Je moet een keer verder met je leven.”

De Nederlanders staan onder druk, met al die binnenlandse concurrentie, Amerikanen hebben hun eigen stress. „Als ik slecht presteer voel ik me schuldig omdat ik dan dat beetje geld waarmee we naar Nederland zijn gekomen, ook nog verspil.”

En toch brandt het olympische vuur hevig als altijd, onder de Amerikanen. Whitmore heeft zelfs al een manager in de arm genomen, voor het geval hij in Sotsji olympisch kampioen wordt. „Dan ben je even uit de kosten. Maar je moet jezelf wel verkopen. Als je dat pas doet als je goud hebt ben je te laat. Maar ik ben blij dat ik die manager pas hoef te betalen als ik heb gewonnen.”