Directeur

E r zal maar iemand van je zeggen dat je directeur bij Ajax bent. Dan scheur je toch je kleren van schaamte en laat je je gezicht herstellen door een plastisch chirurg. Of je vlucht naar het buitenland.

De enige echte directeur bij Ajax is een geest die vanuit Barcelona af en toe op twee vingers fluit. Niemand bij Ajax is nog van zichzelf in de dampkring van die suprême schim. Zelfs Frank de Boer niet, die in geen maanden nog heeft gelachen, en zo binnensmonds spreekt dat alle woorden verschilferen tussen de schouderbladen. De gefortuneerde toerist Hans Wijers hoor je zelfs helemáál niet.

Het spreken verleerd?

En dan moet ik nu lezen dat Edwin van der Sar voor directeur gaat spelen bij Ajax. Het contract is zo goed als rond, op een paar komma’s na. Hoe kan het dat een monument van Oranje pendelaar tussen cijfertjes wordt? Zich drie keer per week in krijtstreep gaat verplaatsen naar recepties van sponsors en beursjongens? Uiteraard aanwezig zal zijn op de nieuwjaarsreceptie van de stad Amsterdam?

Ik zie het Zlatan Ibrahimovic niet doen na zijn carrière en die is toch een stuk gekker dan Van der Sar. In genialiteit scheelt het trouwens niet zoveel – de parades van de Nederlandse doelman benaderden ook vaak het mirakel.

Doelmannen worden altijd ondergewaardeerd.

Ik heb de fenomenale keeper zien komen en gaan. Buiten de palen een schichtige jongen. Een stilleven, bijna. Het gezicht altijd zo lijkbleek dat je aan tuberculose denkt. Als hij bij grote uitzondering toch eens sprak, was het met grote tegenzin. Woorden als hagelslag, zinnen van gehakt stro. Kort en nukkig.

Twintig jaar lang meer mens dan een mening.

Op het veld imponeerde hij wel als sluitstuk van de defensie. Maar ook daar eerder volgeling dan leider. Ik heb me wel eens afgevraagd of hij bij ManUnited Cristiano Ronaldo durfde aan te spreken. Misschien heel even onder de douche, als niemand het zag.

Gaandeweg trad hij wat meer op de voorgrond, als aanvoerder van Oranje. Maar nog altijd liever niet voor de camera. De blik bleef beloken, de vreugde ingeblikt. Een streep woede zat er ook niet in. Altijd beschaafd achter een pantser van nietszeggendheid.

Na zijn schitterende carrière was hij even uit beeld. Soms hoorde je dat hij met vrouw en kinderen in New York was gesignaleerd. En nog steeds dacht ik: als hij maar niet verloren loopt, want de weg vragen maakt hem verlegen.

Edoch.

Ineens verscheen hij als voetbalanalist bij Studio Sport. Ik herkende hem eerst niet. Vrolijke blik, humor, gevormde zinnen, iets van coupe in de haren. De keeper was een meneertje geworden. Losgezongen. Vrijgemaakt.

Het was een plezier om naar hem te luisteren. Snedig, to the point, kennis van zaken. Hij rolde zich helemaal uit als een lieve, zachtmoedige professor.

Analist Van der Sar: een verademing.

En dat wordt straks dus kantoorklerk bij Ajax. Wat een kapitaalsvernietiging van geluk. Beetje meehollen met Marc Overmars en met een Amsterdamse zakenman. In de clinch gaan met zaakwaarnemers over geld. Om de zoveel tijd een videoconferentie met Barcelona.

Weg buitenlucht.

Edwin van der Sar heeft twintig jaar gevochten om zichzelf te veroveren op ingebakken onzichtbaarheid in het menselijke verkeer. Eindelijk was hij een vrije vogel, zelfverzekerd en trots. Eindelijk ook viel er iets van mannelijke schoonheid over hem. Anders dan Pellè, maar ook erotiserend.

Eén jaar directeur bij Ajax en er blijft van dit alles niets meer over.

Het zakenkoffertje in de hand voltooit de treurnis.