De politicus die Drees citeert, citeert in feite zichzelf

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: de terugkeer van Drees als politiek ijkpunt. En: Zou het kunnen dat de VVD-leiding, door alles wat de laatste weken is gebeurd, veel beter doorgrondt wie haar nieuwe kiezers zijn? De logica achter het helse karwei dat Rutte wacht.

Van Marx Rutte naar Drees Rutte. Politiek blijft een zaak van kleine stapjes. En van schitterende misverstanden.

Je krijgt niet de indruk dat Marx hier nog enige aanhang heeft, maar geen kwaad woord over wijlen Willem Drees (1886-1988). Hem kon Rutte deze week risicoloos aanhalen. Dat de eerste sociaal-democratische premier (1948-1958) zichzelf tot op hoge leeftijd een „radicale socialist” noemde, zoals zijn co-biograaf Jelle Gaemers me vrijdag vertelde, is hooguit een voetnoot in de geschiedenis. Drees leeft in het nationale geheugen voort als gematigd en goed. Gezicht van de wederopbouw. Sober. Bescheiden. Ons vadertje.

John Jansen van Galen en Herman Vuijsje typeerden hem ooit als ‘wethouder van Nederland’. Een fraaie vondst: de grote bestuurder die zichzelf nooit te groot wilde maken. En dat eigenlijk ook niet kon.

Drees’ kracht was, zei Gaemers, dat hij zijn opvattingen kon scheiden van zijn bestuurlijke houding. Als partijleider was hij overtuigd aanhanger van nationalisatie van de banken, om maar iets te noemen. Als premier was hij de loyale uitvoerder van beleid dat diezelfde banken de ruimte op de markt gaf. Een reële uitruil, onder meer omdat zijn coalitiepartners hem toestonden de inkomens, jawel, te nivelleren.

De eerste weken van Rutte II lieten zien dat Drees, voor de moderne kiezer, een hopeloos verouderd referentiekader is. Compromissen zoals hij ze sloot zijn nu hoogst verdacht, ook als je ze presenteert in een positieve context: elkaar iets gunnen. Doodvermoeide VVD’ers gaven deze week toe dat hun partij in de formatie te veel met de PvdA had „meegedacht”. De kiezer eist dat heldere standpunten van voor de verkiezingen globaal beleid worden. Andere partijen bestaan niet, andere opvattingen zijn irrelevant. Het algemeen belang is verschrompeld tot een vaag puntenwolkje aan de horizon.

Dus de partij die van het eigen gelijk afwijkt, en in zo’n kabinet-Drees gaat zitten, is een verrader. Dan mailt de boze kiezer Maurice de Hond gewoon even. En Maurice weet daar raad mee: weer een nieuwe peiling met ‘grote verschuivingen’ die als nieuws de wereld ingaat. We zijn zijn peiling van een week voor de verkiezingen allang vergeten, toen hij de VVD op 33 zetels zette, en de PvdA op 25.

De regeringsverklaring van afgelopen dinsdag kon tegen deze achtergrond nooit veel worden. Vlakke tekst, geen gezamenlijke richting, geen punchline: een opsomming van uitgeruilde maatregelen uit het regeerakkoord. Met uitzondering van die ene maatregel dan, de inkomensafhankelijke zorgpremie. In de twee weken dat dit PvdA-kindje onder vuur lag, verdedigde de premier hem zegge één keer.

Het was tactiek, want volgens de wetten van de hedendaagse pr geldt: wie reageert op andermans kritiek wekt de indruk dat die kritiek ertoe doet. Kan de bedoeling niet zijn. Rutte noemt dat, naar een uitspraak van Karl Rove, reageren op „een stuk rood vlees in de arena”. Maar als iedereen met dat vlees in de weer is, zoals de laatste weken, werkt zwijgen dus niet meer.

De verwijzingen naar Drees ontliepen elkaar deze week nogal, en dat zei ook veel. Rutte roemde in de regeringsverklaring „de strakke hand” waarmee Drees de wederopbouw leidde. In het debat vertelde hij dat nieuwe bewindslieden waren geselecteerd op hun ‘Dreesiaanse’ uitstraling. „Mensen die zich realiseren dat ze er niet voor zichzelf maar voor het land zitten.” Samsom haalde op zijn beurt een citaat uit 1948 aan, waarin Drees zware tijden aankondigde voordat het land „wederopbloeiend” zou worden.

Het liet vooral zien wat Drees na al die jaren is geworden: een allemansvriend van politici die zoeken naar een veilige electorale identiteit. Drees was ook al van Lubbers, toen die in 1974 als minister van Economische Zaken de benauwde gevolgen van de oliecrisis schetste. Drees was al van Kok, toen die in 1989 minister van Financiën werd. Drees was van Wiegel en De Telegraaf, toen zij opponeerden tegen het ‘potverteren’ van Den Uyl. Drees was zelfs van PVV-filosoof Bosma, toen die het zich in De schijnélite van de valsemunters (2009) permitteerde hem én Ayn Rand aan te wijzen als inspiratiebron. Toe maar: Ayn Rand – de Amerikaanse libertair die het ministerie van Onderwijs ontoelaatbare overheidsinmenging vond.

Drees is kortom zo groot geworden, een massief symbool uit een vergeten verleden, dat iedereen zich achter hem kan verschuilen. De politicus die hem citeert, citeert in feite zichzelf.

Uit het debat na de regeringsverklaring maakten politieke analisten op dat Rutte zijn drive toch weer had gevonden. Hij riposteerde Wilders energiek, hij goochelde als vanouds met teksten, hij slaagde er toch weer in oppositiepartijen voor zich te winnen. Samsom had een ijzersterk optreden. Al moet voor hem de zwaarste tijd nog komen, wanneer die 45-plussers die werkloos worden merken dat uitgerekend de PvdA hun problemen (ontslagversoepeling, verkorte WW-duur) vergroot.

Intussen lieten de oppositiepartijen zien hoe moeilijk het is een eigen identiteit te behouden als het land in één jaar door drie coalities – Rutte I, de Lentevijf, Rutte II – is geregeerd. Op de Partij voor de Dieren na hebben alle leiders zich dit jaar een of meer keer gebonden aan een setje compromissen. Wilders spande samen met CDA en SGP. Buma met iedereen van PVV tot en met GroenLinks. Pechtold met VVD tot GroenLinks. Roemer bleef er formeel buiten, maar was in de campagne zo ontzettend compromisbereid dat dit bijna niet opgevallen zal zijn. Bijna iedereen van deze generatie heeft een geloofwaardigheidsprobleem, ergo van die Drees zijn we nog lang niet af.

Rutte staat voor de moeilijkste opdracht, en de signalen waren deze week dat de zwaarte van zijn taak hem soms aanvliegt. Zijn probleem is te vergelijken met de boekhoudschandalen waarin grote bedrijven als Ahold en Shell verzeild raakten. Hetzelfde overmatige optimisme waarmee zij hun beurskoersen structureel opdreven, leverde de VVD 12 september een schitterende uitslag op. Daarna sloeg de werkelijkheid bij kiezers in als een bom. Bij Shell noemden ze dat intern de „poisonous cycle of overpromise and underdelivery”– een probleem waar het bedrijf alleen uitkwam toen het zijn complete top wegwerkte.

Want waar weinig over wordt gesproken, maar wat de komende jaren een grote rol zal spelen, is dat de VVD op 12 september een bijna onmogelijke aanhang heeft verworven. Door te zwijgen tijdens de politieke storm na het regeerakkoord, en daarna aanpassing van het akkoord te bereiken, kwam Rutte vooral op voor zijn traditionele achterban: Nederlanders, hardwerkend of niet, die anderhalf modaal of meer verdienen.

Het probleem is alleen dat de VVD 12 september zo succesvol was dat ruim 35 procent van de nieuwe VVD-kiezers anderhalf modaal of minder verdient, zo blijkt uit verkiezingsdata die Corrie Vis van onderzoeksinstituut CentERdata, verbonden aan de Universiteit van Tilburg, voor deze krant samenstelde. In 2006 was dat maar zo’n 20 procent. Met opleidingsniveau is ongeveer hetzelfde aan de hand: ruim 30 procent van de nieuwe VVD-kiezers op 12 september had vmbo of een lagere scholing. Als je het mbo meerekent, bestond op 12 september ruim de helft van de nieuwe VVD-kiezers uit lager opgeleide Nederlanders. Ook vuilnismannen stemmen nu VVD.

Deze mensen tevreden houden, samen met de traditionele VVD-kiezer die goed verdient en hoger opgeleid is, zou voor elke partij een hels karwei zijn. Wat dat betreft was het resultaat van de afgelopen week voor de VVD vermoedelijk minder beroerd dan het leek. Als je de kleine man én de welgestelde Nederlander bij elkaar wil houden, dan moet je nivelleren, en tegelijk de hoogste inkomens te vriend houden. Zo gebeurde het. Zoals het op de langere termijn ook niet slecht zou zijn als dit de bijnaam van de leider wordt: Drees Rutte.