De schijn van chaos in Zuid-Afrika

Er is armoede, er is ongelijkheid, er is onrust. Maar na vier jaar in Zuid-Afrika ziet vertrekkend correspondent Peter Vermaas ook redenen voor optimisme. Op de weg van vooruitgang is omkeren geen optie.

Stakende mijnwerkers, vorige maand in Carletonville. Hun werkgever heeft 8.500 stakers ontslagen. Foto AFP

‘De revolutie”, herhaalde de nerveuze verslaggeefster van Radio Jacaranda uit Pretoria nog maar eens, „hier begint de revolutie”. In hoog tempo schoven haar vingers over het schermpje van de tomtom. In het stikdonker waren we verdwaald tussen de dorpen Modderspruit en Mooinooi en we dreigden iets te missen. In de verte schimmen van immense mijnbedrijven, maar de Marikana-platinamijn, waar de politie volgens berichten op Twitter even daarvoor het vuur had geopend op demonstrerende stakers, was onvindbaar. Het was stil en donker. „Probeer om te draaien”, adviseerde de tomtom.

Een glimmende sportauto kwam naderbij en minderde vaart. De bestuurder, een zwarte man, strak in het pak, wilde de weg wel wijzen. Hij werkte voor de mijn. Hoger management. Of de verslaggevers begrepen dat de politie weinig anders kon dan schieten. „Soms moet je laten zien wie de baas is in dit rare land”. De mijnwerkers, die al wekenlang werk weigerden om een hoger loon af te dwingen, hadden het volgens hem te bont gemaakt en bedreigden de welvaart. „Dit is een keerpunt Als de regering niet ingrijpt, gaan we Zimbabwe achterna.”

Dat had ik eerder gehoord. Maar meestal van blanken op het platteland, tijdens een braai met bergen vleis of na het ontbijt in een hotel of gastenhuis. „Ik ben natuurlijk geen racist”, begonnen die monologen meestal. „Maar ze kunnen het niet.” Politici van het ANC, de partij die in 1994 de macht overnam van het blanke minderheidsregime, zijn corrupt en zouden Zuid-Afrika met hun interne richtingenstrijd, algehele incompetentie en vriendschappelijke verhoudingen met de vakbond en de communistische partij in een neerwaartse spiraal hebben gebracht.

De overwegend zwarte regeringspartij zou achter de façade van de regenboognatie zelfs wraak willen nemen op de minderheid door het laatste blanke bastion, de economie, met linksige experimenten de nek om te draaien. „Kijk maar naar Zimbabwe”, hoorde ik op de ongemakkelijke momenten dat ik vanwege mijn eigen huidskleur in vertrouwen genomen werd. Daar waren blanke boeren vanaf 2000 met geweld van hun land gezet en kwam de economie in 2008 door onteigeningen en wanbeleid bijkans tot stilstand.

Ik wist nooit goed wat te zeggen. De analogie met Zimbabwe ging niet op, dacht ik. De Zuid-Afrikaanse economie, de grootste van het continent, is zoveel machtiger, er is een stevig maatschappelijk middenveld en in Zuid-Afrika staan internationaal nu eenmaal meer belangen op het spel dan bij de buren aan gene zijde van de Limpopo-rivier. En zeggen de critici impliciet niet ook dat de oude machthebbers beter in staat waren om alle 50 miljoen Zuid-Afrikanen, dus ook de zwarte, te besturen? Die hebben hun kans gehad en hebben gefaald, met alle gevolgen vandien – zoals een slecht opgeleide bevolking – die bestuurders tot vandaag parten spelen.

White fear noemen sociologen de onpeilbare angsten van de blanke minderheid voor zwarte dominantie, voor Afrikaanse anarchie. De chauffeur van de sportauto was alleen bepaald niet blank. Hij gaf toe dat hij zijn rijkdom en positie bij de mijn aan het ANC te danken had, maar vreesde de arme zwarte massa. Hij vreesde ‘Afrikanisering’. De tot uitbarsting gekomen onvrede in Marikana was volgens hem voor de toekomst van Zuid-Afrika een „keerpunt” – ten goede of ten kwade. „Probeer om te draaien”, zei de tomtom.

Na het bloedbad, nu drie maanden geleden, volgde een golf van stakingen. De platina-industrie kwam plat te liggen, goudmijnen raakten in problemen. Duizenden werknemers eisten een fatsoenlijk salaris en zegden het vertrouwen op in vakbondsmensen die hen zouden moeten vertegenwoordigen. Velen werden ontslagen, anderen kregen de begeerde loonsverhogingen. Mijnbedrijven verloren miljoenen per dag, de groeiverwachting werd bijgesteld en kredietbeoordelaar Moody’s waardeerde het land verder af.

Maar een ‘revolutie’, zoals de radiocollega uit Pretoria voorzag, of een massale opstand van de armen, bleef uit. Zuid-Afrika is „niet in crisis”, bezwoer president Zuma vorige week tegenover de internationale pers. „In een democratie zijn stakingen heel normaal.” Een gevoel van onheil bleef niettemin boven de markt hangen. De mijnsector draagt nog maar zo’n 5 procent bij aan de economie, maar Zuid-Afrika is op mijnen gebouwd en voor het gemoed van de natie is geen bedrijfstak belangrijker. Wie het dagelijkse nieuws van dichtbij volgde, zou denken dat het land daadwerkelijk aan de rand van de afgrond stond.

De sombere vooruitzichten werden versterkt door een aanhoudende reeks andere politieke schandalen. In de Limpopo-provincie wachtten leerlingen door wanbeleid sinds het begin van het schooljaar in januari op hun schoolboeken. Het bedrijf dat dankzij politieke connecties de opdracht van de staat had binnengesleept, bleek geen idee te hebben hoe de boeken op tijd bij de scholen afgeleverd konden worden en dumpte een deel in de rivier. Limpopo, waar het rotte provinciebestuur door de nationale regering onlangs onder curatele is gesteld, grenst aan Zimbabwe. „Kunnen we Limpopo niet aan Mugabe geven?”, twitterde politiek columnist Sipho Hlongwane.

En er was de verbouwing van Nkandla, het dorp van president Zuma. Vlak voor de verkiezing die hem in 2009 het presidentschap opleverde, bezocht ik de plaats. Het was niet veel. Een pokdalig weggetje langs donkere bossen en diepe ravijnen ver in KwaZulu-Natal leidde naar een stoffig kruispunt, waar de presidentskandidaat met zijn drie vrouwen een aantal luxe uitgevoerde traditionele hutten bewoonde. Zuma, toen slechts lijsttrekker van het ANC, maakte goede sier met de opening van een nieuw verdeelstation voor elektriciteit. Ruim drie jaar later wordt, grotendeels op kosten van de staat, zijn residentie voor 25 miljoen euro gerenoveerd en uitgebreid. Hij krijgt een veiligheidsbunker. Het dorp heeft nu een snelweg.

Dat in het stadje Olifantshoek in de Noord-Kaap leerlingen maanden niet naar school konden omdat door protesten van boze burgers klaslokalen in brand waren gestoken, haalde de kranten nauwelijks. En niemand keek op van het nieuws dat verplegers van het grootste ziekenhuis van Johannesburg patiënten acht etages naar een operatiekamer moeten tillen omdat de liften niet werken.

In Zuid-Afrika heerst „schandaalmoeheid”, zei een parlementariër van de grootste oppositiepartij, de Democratic Alliance (DA), vorige week. Hij had achterhaald dat de voormalige ANC-minister van Defensie zich voor miljoenen in vip-vliegtuigen door het land liet vliegen. Geen krant die er oog voor had. Klein bier naast grote problemen.

Maar ik ken de rest van Afrika en Zuid-Afrika is geen klassieke ‘falende staat’, zoals overijverige persberichtenschrijvers van diezelfde DA geregeld beweren – gaat het land Zimbabwe niet achterna, dan is het wel Somalië of Congo. In haar Van der Leeuw-lezing in 2006 sprak schrijfster Lieve Joris, chroniqueur van de kater van de dekolonisatie in Congo, over haar eerste bezoek aan Zuid-Afrika enige jaren eerder. Ze zag „het indrukwekkende wegennet, de winkelcentra, de hotels, de restaurants en residentiële wijken” en „haar eerste reflex” was: „Wat was er hier nog een hoop kapot te maken en te plunderen.”

Zuid-Afrika gaat sinds 1994 in feite door een dekolonisatiefase die veel andere Afrikaanse landen al vele jaren eerder doormaakten. En zo bekeken valt de schade mee: het wegennet en de winkelcentra zijn de laatste jaren alleen maar indrukwekkender geworden, de economie is louter gegroeid en de meerderheid van de bevolking is op de keper beschouwd politiek en economisch veel beter af dan achttien jaar geleden.

Wat na achttien jaar democratie wel kapot is, is het vertrouwen in de politiek, in politici die in bunkers wachten op hun herverkiezing, en in het zelfreinigend vermogen van het ANC. ‘Marikana’ heeft de smeulende onvrede een gezicht gegeven.

Bijna vier jaar trok ik door Zuid-Afrika, door zwarte en witte wijken, door steden en door dorpen. Overal waar ik kwam hoorde ik dezelfde kritiek op de regerende partij. De beloofde gratis huizen voor de armen waren niet gebouwd of bleken van zo’n beroerde kwaliteit dat je beter in je golfplaten krot kon blijven. Het riool liep over, het asfalt spoelde van de straten en elektriciteit en waterleiding deden het vaker niet dan wel.

Sinds een jaar of vijf leidt dat her en der tot wat men ‘service delivery protests’ is gaan noemen: onstuimige demonstraties tegen de slechte levering van overheidsdiensten. Autobanden werden in brand gestoken, stenen vlogen door de lucht. Vooral jongeren sloopten alles wat symbool stond voor de overheid, ook die schaarse diensten die nu juist wél in orde waren. Scholen, zoals in Olifantshoek, bibliotheken en klinieken: niets bleef gespaard. Ze hadden tijd zat ook: 52 procent van de jongeren onder de 25 jaar is werkloos. Zij stemmen niet en moeten van het politieke gekonkel niets hebben.

Het doorgaans kritische Instituut van Rassenrelaties gaf president Zuma een paar maanden geleden niettemin gelijk toen die zei dat „geen land beter gepresteerd heeft dan Zuid-Afrika” sinds het eind van de apartheid. Het aantal gezinnen dat in volwaardige huizen woont is tussen 1996 en 2010 met bijna 90 procent toegenomen, het aantal huishoudens met elektriciteit nam toe van 58 procent in 1996 tot 83 procent in 2010 en door overheidspensioenen, kinderbijslag en werkloosheidsuitkeringen leeft nog maar 5 procent van de bevolking onder de armoedegrens van 2 dollar per dag.

Maar bijna nergens in de wereld is de kloof tussen arm en rijk zo groot als in Zuid-Afrika. Die ongelijkheid loopt nog altijd deels langs raciale lijnen. Het gemiddelde witte gezin heeft per jaar zo’n 365.000 rand (32.000 euro) te besteden, terwijl het gemiddelde zwarte huishouden het met 60.000 rand (ongeveer 5.400 euro) per jaar moet doen, bleek uit de resultaten van de omvangrijke volkstelling van 2011.

Beleid voor positieve discriminatie heeft een bescheiden zwarte economische elite opgeleverd, terwijl de economie nog goeddeels bestuurd wordt door witte mensen. De stakende mijnwerkers probeerden het ANC duidelijk te maken dat in de nieuwe bedeling de koloniale rolverdeling van een arme massa die werkt voor het welzijn van een rijke elite met politieke connecties niet langer vol te houden is. Landarbeiders legden deze week ook het werk neer. Het door het ANC goedgekeurd minimumloon vonden ze in de nieuwe verhoudingen niet acceptabel. Dat is 6 euro per dag.

Zuid-Afrika ontwikkelt zich met vallen en opstaan: twee stappen vooruit, één stap terug. „Onze democratie is sterk, de rechtspraak functioneert, onze grondwet is een van de beste van de wereld, de pers is vrij om corruptie te veroordelen en de civil society is heel actief”, zei de vooraanstaande politiek commentator Justice Malala vorige week in een interview. „Als Zuid-Afrikanen protesteren, dan kunnen ze dat vrij doen en dingen veranderd krijgen.” Dat bleek toen het ANC draconische wetgeving om klokkenluiden strafbaar te stellen, herzag. De huidige crisis is volgens Malala „meer politiek dan sociaal”.

Komende maand is daarom cruciaal voor de toekomst van het ANC en daarmee van Zuid-Afrika. Dan kiest het vijfjaarlijkse congres van de partij nieuwe leiders. President Zuma wil graag een tweede termijn als partijleider en president, maar verschillende provincies hebben de bedaagde vicepresident Kgalema Motlanthe voorgedragen. Motlanthe was in 2008 en 2009 al korte tijd president, toen na het vorige ANC-congres toenmalig president Thabo Mbeki aan de kant werd gezet. De omstreden jongerenleider Julius Malema, die destijds Zuma steunde, heeft de onrust van de afgelopen maanden aangegrepen om het verzet tegen de besluiteloze Zuma te mobiliseren. Of hij succes heeft, moet blijken. Voor commentator Malala staat vast dat de ANC-leiding door de interne campagnes het landsbestuur verwaarloosd heeft.

De grootste economie van Afrika, het land dat zichzelf ten voorbeeld stelt aan het continent, kan het zich niet permitteren dezelfde fouten te maken als al die andere Afrikaanse landen eerder maakten, vertelde ANC-zwaargewicht Pallo Jordan me eerder dit jaar. Hij was somber, maar verwachtte dat Zuid-Afrika op de juiste weg was om een „normaal land” te worden. Zuid-Afrika bereikt een keerpunt, oordeelde ook vicepresident Motlanthe vorige maand in de Financial Times. Die analyse hoorde ik eerder. Langs de kant van de weg tussen Modderspruit en Mooinooi.

Dit was de laatste bijdrage van Peter Vermaas uit Zuid-Afrika. Hij is nu correspondent in Parijs.