Vader met doelwit: zijn zoon

Bram Dehouck: Hellekind. De Geus, 187 blz. € 17,95 ****

Hoeveel mensen hebben ooit een naaste dood gewenst? Het is de eerste zin van het derde hoofdstuk van deze derde thriller van de Vlaming Bram Dehouck, die met die twee eerdere boeken, geheel terecht twee Gouden Stroppen won. Het is ook een goede vraag die hij stelt.

Het is een bekend cliché dat de meeste moorden worden gepleegd door naasten, omdat die daar de meeste reden toe hebben. En de minste, zou je zeggen, hetgeen je in thrillers minder vaak wordt voorgehouden.

In dit scherpe, prachtig geschreven verhaal valt bij vader Chris, bier nippend op een terras, het besluit om zoon Sam te doden. Die beslissing neemt Chris uiteraard niet licht; zij komt voort uit gedrag van Sam dat, in de loop der tijd door een nadenkende en allengs driftig googlende Chris waargenomen, maar in één richting wijst: psychopathologie van het dodelijke soort.

Sam vertoont alle trekken die psycholoog Robert Hare, ’s werelds meest vooraanstaande expert op dit terrein, over het verschijnsel psychopaat meldt. Dehouck noemt Hare’s werk in Hellekind uitdrukkelijk en heeft het duidelijk tot zich genomen en begrepen.

Beter dan collega’s als Thomas Harris, wiens The silence of the lambs ons de bekendste fictionele psychopaat opleverde: Hannibal Lecter. Hoewel subliem geschreven, heeft Lecter niets met reële psychopathologie te maken. Het karakter Sam van Dehouck des te meer. De psychopaat heeft niets extra’s dat de normale mens, die terugdeinst voor het beschadigen van naasten, ontbeert. Het is andersom: bij Sam ontbreekt iets dat de normale mens wel heeft. Men leze Hare’s boek Gewetenloos (Elmar, 2012) voor meer begrip.

In Hellekind leidt het psychopathisch gebrek tot excessen die hier beter onvermeld kunnen blijven, om het zieke plezier dat dit boek de lezer kan brengen niet te verpesten. Maar Chris’ oprechte vraag ‘hoe snel kon een brandend knaagdier een huis in lichterlaaie zetten?’ geeft de zaken aardig weer.

Dehouck laat met Hellekind opnieuw zien dat zich in de beperking pas de meester toont; hij houdt het verhaal klein en de hoofdpersonen bij de teugels. Hij zaait succesvol verwarring; langzaamaan is de lezer het steeds meer eens met Sams moeder Charlotte, die eerder twijfelt aan Chris’ karakter dan dat van Sam. Dat geldt, en dat is het meest prikkelende van dit boek, ook voor Chris zelf. Hij is tenslotte iemand die een naaste dood wenst.

Hellekind of hellevader, daar draait het om. Dehouck heeft in dit boek wederom grip op zijn onderwerp en op de taal. Hellekind is daardoor een nogal ijzig boek geworden over het soort mensen dat spijt betuigt dat ze iemand de hersens in heeft geslagen, maar wel met ‘een zweem van heimwee in hun ogen.’