Scherpzinnig en enthousiasmerend

Nanne Tepper hield zich liefst ver van de literaire wereld. Zijn debuut vestigde zijn naam, maar depressie weerhield hem na 2002 van meer proza.

Stiekem miste hij de door hem bespotte literaire wereld wel een beetje, gaf Nanne Tepper toe in wat nu zijn laatste boek blijkt te zijn geweest: De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke (2008). In die essaybundel schreef hij over zijn weerzin tegen de literaire apenrots, maar ook over de ziektes en ongemakken die hem van schrijven afhielden. „De medicijnen tegen depressie hebben ook mijn inspiratie gedoofd.”

Die inspiratie had Tepper, die vorige week op 50-jarige leeftijd overleed, in de herfst van 1995 met een reuzenvaart de Nederlandse letteren ingekatapulteerd. Zijn debuutroman De eeuwige jachtvelden werd onthaald als de geboorte van een schrijver die een van de groten van zijn generatie zou worden.

Het boek, een incestgeschiedenis die zich afspeelde in een Gronings dorp, verblufte door stilistische kracht en veelzijdigheid. Het krioelde van de literaire verwijzingen in de roman, voor de compositie had Tepper – die ook in een band speelde – zich laten inspireren door Mahler en Frank Zappa. Lyrisch zei hij in een interview: „Die verrukkelijke strijd tussen het platte en het hemelse, dat heb ik in mijn boek ook geprobeerd.”

Tot veler verbijstering werd De eeuwige jachtvelden gepasseerd voor de grote literaire prijzen (Tepper kreeg er wel de Anton Wachterprijs voor), maar zijn naam was gevestigd. Niet als iemand die zich onderdompelde in het literaire circuit, maar als een schrijver die met scherpzinnige stukken een gezaghebbende stem werd. Daarbij ging een natuurlijk gevoel voor de contramine samen met een groot vermogen om te enthousiasmeren.

Tepper ging schrijven voor deze krant, onder meer over zijn diep bewonderde generatiegenoot David Foster Wallace, die in 2008 zelfmoord pleegde. Hij schreef veel over muziek, onder meer in Payola, het tijdschrift over literatuur en popmuziek. In Muziekkrant Oor en NRC Handelsblad publiceerde hij honderden cd-recensies.

Teppers tweede roman, De vaders van de gedachte (1998), leverde hem toch nog een nominatie voor de Librisprijs op, maar de prijs zelf ging naar Harry Mulisch. In 2002 verscheen De avonturen van Hillebillie Veen, een heruitgave van een korte roman die vijf jaar eerder al in beperkte oplage in Groningen was verschenen. Tot nieuwe fictie kwam Tepper niet meer, mede door gezondheidsproblemen bij hemzelf en zijn geliefden: „Ik mis het Olympisch Egoïsme om die heerlijke schrijversjeuk in mijn kop de voorrang te geven als om mij heen de hel regeert”, staat in De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke. Achterop die bundel staat de mededeling dat Tepper ‘werkt aan een nieuwe roman’. In een interview met Het Parool zei hij daarover: „Het schrijven ervan gaat nu wel even heel anders dan voorheen, maar goed.”

Volgens een verklaring van uitgeverij De Bezige Bij besloot de door langdurige depressies geplaagde Tepper vorige week ‘niet langer te willen leven’. Hij is woensdag in kleine kring gecremeerd.