Pestvogels

Op 8 november jongstleden zijn in Amstelveen pestvogels gesignaleerd. Vogelliefhebbers kwamen meteen in het geweer en snelden toe, gewapend met camera’s en verrekijkers. Had men mij tijdig gewaarschuwd, dan was ik er ook naartoe gegaan, want de eerste en ook de laatste keer dat ik die vogels heb mogen aanschouwen was in 1947, op 5 januari. Ik was twaalf jaar oud, en als enthousiaste vogelaar vermeldde ik dat in mijn vogeldagboekje.

Ze komen maar af en toe, uit Scandinavië, en je zou het kunnen vergelijken met een inval van de Noormannen. In vroeger eeuwen dachten ze dat ze de pest meebrachten, vandaar hun Nederlandse naam. Lang is verondersteld dat hun sporadische komst een voorbode zou zijn van een strenge winter, wat in 1947 inderdaad het geval was, maar er zijn ook dikwijls pestvogels waargenomen en dan volgde er een kwakkelwinter. Voorzover mij bekend is er nog geen verklaring voor die plotselinge invallen. Ze stortten zich massaal op alle besdragende struiken. Waar bessen zijn, daar landen pestvogels.

Ik had ze graag weer gezien, want ze horen tot de fraaiste vogels die ik ken. Met een prachtige kuif, lichtbruin van kleur met een lila gloed, een kort, zwart staartje met aan het uiteinde een gele band, op hun vleugels een helgele streep, rode stippels, twee witte vlekken en een zwarte zoom, een oogstreep die lijkt op zo’n masker waarmee vroeger in stripverhalen wel inbrekers werden afgebeeld, en onder hun snavel een zwarte keelvlek.

Het aardige is dat ze minder schuw zijn dan andere vogels, men kan ze tot op enkele meters naderen, zonder dat ze meteen wegvliegen.